De zaak in het kort
Het geschil betreft een hoger beroep dat is aangespannen door Stichting Olympisch Stadion Amsterdam (SOSA) tegen Bouwinvest Dutch Institutional Office Fund N.V. Het centrale punt van het geschil is de verdeling van kosten voor herstel van vochtschade aan de betonconstructie van het Olympisch Stadion. De partijen zijn het oneens over wie verantwoordelijk is voor deze kosten en in welke mate deze moeten worden verdeeld. De kantonrechter had eerder geoordeeld dat de kosten volgens de splitsingsakte 50/50 tussen beide partijen moesten worden verdeeld, een besluit dat door SOSA wordt aangevochten in hoger beroep.
Het verloop van het proces en de feiten
Het conflict begon nadat SOSA in hoger beroep ging tegen een beschikking van de kantonrechter in Amsterdam. Deze beschikking dateert van 25 november 2020, waarin aan SOSA werd opgedragen mee te werken aan een besluit over de kostenverdeling voor betonherstel in het Olympisch Stadion. Een grootschalige renovatie van het stadion in de late jaren ’90 had tot meerdere lekkages geleid, waarvoor SOSA door de rechtsvoorganger van Bouwinvest aansprakelijk was gesteld. In 2003 sloten de partijen een vaststellingsovereenkomst (VSO I), waarin was vastgelegd dat de voorganger van Bouwinvest verantwoordelijk was voor het onderhoud van de gemeenschappelijke delen tot 2017.
In 2018 werd ontdekt dat het betonnen skelet van het stadion ernstig was aangetast door betonrot, wat leidde tot een discussie over de kostenverdeling van het herstel. SOSA en Bouwinvest waren het erover eens dat herstel noodzakelijk was, maar niet over de verdeling van de kosten. SOSA stelde dat de kosten geheel voor Bouwinvest waren vanwege eerdere afspraken en nalatigheid in onderhoud. Bouwinvest vroeg om vernietiging van een besluit van de VvE van 25 juni 2020, dat een eerder voorstel voor kostenverdeling had afgewezen, en verzocht om een vervangende machtiging om het betonherstel en de kostenverdeling goed te keuren.
Tijdens het proces werden meerdere vaststellingsovereenkomsten aangehaald, en de rol van de VvE bij het beheer en de goedkeuring van herstelkosten werd besproken. Beide partijen hadden in het verleden een subsidie aangevraagd voor het herstel, die volgens een verdeelsleutel van 88% voor Bouwinvest en 12% voor SOSA was toegekend. De totale kosten van de herstelwerkzaamheden bedroegen meer dan een miljoen euro, die Bouwinvest had voorgeschoten.
De kantonrechter had geoordeeld dat de kosten volgens de splitsingsakte 50/50 moesten worden verdeeld, omdat SOSA niet voldoende had aangetoond dat er van deze verdeling moest worden afgeweken vanwege de vaststellingsovereenkomsten. SOSA betoogde echter dat de afspraken in de vaststellingsovereenkomsten en de onderhoudsverplichtingen van Bouwinvest deze verdeling beïnvloedden.
De beslissing van de rechtbank
Het gerechtshof oordeelde dat de kantonrechter ten onrechte had geoordeeld dat de splitsingsakte zonder meer leidend was voor de kostenverdeling. Het hof stelde dat de vaststelling van de kostenverdeling afhankelijk was van de uitkomst van een deskundigenonderzoek naar de oorzaak van de betonschade en de relatie met eerdere lekkageproblemen. SOSA werd verzocht om het hof te informeren over de resultaten van dit onderzoek, en Bouwinvest kreeg de gelegenheid om hierop te reageren.
Het hof besloot dat Bouwinvest voorlopig verantwoordelijk bleef voor het voorschieten van de kosten. Het hof hield verdere beslissingen aan in afwachting van het deskundigenonderzoek en de schriftelijke toelichtingen van beide partijen. De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige vaststelling van de verdeelsleutel voor kosten op basis van eerdere overeenkomsten en onderhoudsverplichtingen, in plaats van louter de splitsingsakte te volgen.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




