De zaak in het kort
In deze zaak bij de rechtbank Den Haag vroeg een verzoekende partij, die lijdt aan een progressieve neuromusculaire aandoening, om toestemming van de Vereniging van Eigenaren (VvE) om zijn scootmobiel en driewielfiets te stallen in de gemeenschappelijke containerruimte van het gebouw waar hij woont. De VvE had eerder toestemming verleend voor het stallen van de scootmobiel, maar weigerde nu beide hulpmiddelen daar te laten stallen. De verzoeker voerde aan dat er geen redelijke alternatieven waren en dat de weigering in strijd was met de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (WGBH). De rechtbank wees het verzoek af, oordelende dat de eigen parkeerplaats van de verzoeker een redelijk alternatief was.
Het verloop van het proces en de feiten
De zaak begon met een verzoekschrift dat op 16 juli 2025 door de verzoekende partij was ingediend, gevolgd door een verweerschrift van de VvE op 29 december 2025. Tijdens de mondelinge behandeling op 8 januari 2026 werden beide partijen gehoord en werden aanvullende stukken overgelegd, waaronder een usb-stick met videobeelden van de verzoekende partij.
De woning waarin de verzoeker woont is onderdeel van een gebouw dat in 2002 is gesplitst in appartementsrechten. De verzoeker is sinds 2008 eigenaar van een van deze rechten en daarmee lid van de VvE. In de splitsingsakte is vastgelegd dat gemeenschappelijke delen, zoals de fietsenberging en de ruimte voor vuilcontainers, door alle eigenaren gebruikt mogen worden, tenzij de VvE anders beslist.
De verzoekende partij kreeg in 2011 toestemming van de VvE om zijn scootmobiel in de containerruimte te plaatsen, omdat hij zijn parkeerplaats gebruikte voor zijn auto. In 2023, na het verkopen van zijn auto, werd hij gevraagd zijn hulpmiddelen op zijn parkeerplaats te stallen. Volgens een ergotherapeutische rapportage uit 2025 moeten de hulpmiddelen op een korte afstand van de woning bereikbaar zijn en moet er voldoende ruimte zijn voor een veilige transfer van de rollator naar de hulpmiddelen.
Tijdens een algemene ledenvergadering van de VvE op 15 april 2025 werd het verzoek van de verzoekende partij om zijn hulpmiddelen in de containerruimte te stallen afgewezen. De VvE stelde dat er betere alternatieven beschikbaar waren, namelijk de eigen parkeerplaats van de verzoeker.
De beslissing van de rechtbank
De rechtbank oordeelde dat de vrijheid van de VvE om toestemming te weigeren voor het plaatsen van hulpmiddelen in gemeenschappelijke ruimtes wordt beperkt door de WGBH. Deze wet verplicht de VvE om toestemming te geven als er geen redelijk alternatief is voor de verzoeker. Echter, de kantonrechter concludeerde dat de eigen parkeerplaats van de verzoeker een redelijk alternatief bood. Dit oordeel was gebaseerd op de bevindingen van de ergotherapeut, die stelde dat een vlakke, toegankelijke en veilige locatie noodzakelijk was.
De rechtbank overwoog dat de garage, waar de parkeerplaats zich bevindt, afgesloten is van de openbare ruimte en voldoende ruimte biedt voor de hulpmiddelen. Hoewel de verzoeker angst had voor diefstal, oordeelde de rechtbank dat de beveiliging van de garage adequaat was en dat er slechts één incident van diefstal had plaatsgevonden in het verleden.
De rechtbank vond ook dat de verzoeker geen overtuigend bewijs had geleverd dat de parkeerplaats geen geschikt alternatief was. De kantonrechter wees daarom het verzoek tot vervangende machtiging af en veroordeelde de verzoeker tot het betalen van de proceskosten van de VvE.
De zaak illustreert het belang van het beoordelen van redelijke aanpassingen voor mensen met een handicap binnen de kaders van de wetgeving, rekening houdend met de specifieke omstandigheden van de betrokkenen en de beschikbare opties.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




