De zaak in het kort
De Vereniging van Eigenaren (VvE) van een appartementencomplex heeft een rechtszaak aangespannen tegen het Waterschap Brabantse Delta, de Gemeente Steenbergen en een vennootschap onder firma (VOF) die een jachthaven beheert. De VvE stelt dat deze partijen aansprakelijk zijn voor schade aan de beschoeiing die grenst aan hun perceel. De VvE beweert dat door het onrechtmatig handelen van deze partijen, boten te dicht langs de oever varen, waardoor de beschoeiing wordt beschadigd. Dit zou leiden tot verzakkingen van de bodem en daarmee schade aan de waterkering en de tuinen/terrassen van de appartementseigenaren. De VvE eist een schadevergoeding van € 10.750,00 en een verklaring voor recht dat de gedaagden onrechtmatig hebben gehandeld.
Het verloop van het proces en de feiten
De zaak is behandeld door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda. De procedure begon met een tussenvonnis op 25 juni 2025, gevolgd door een mondelinge behandeling op 6 oktober 2025. De VvE is de eigenaar van een perceel dat grenst aan een watergang, gescheiden door een beschoeiing die in 1985 door het Hoogheemraadschap is geplaatst. Een jachthaven, die door de gemeente in erfpacht is uitgegeven aan de VOF, ligt aan de andere kant van de watergang. De VvE stelt dat de beschoeiing gebreken vertoont en dat herstel noodzakelijk is om verdere schade te voorkomen.
Er is tussen februari 2014 en juni 2019 veel gecorrespondeerd tussen de VvE enerzijds en het Waterschap, de gemeente en de VOF anderzijds. Ondanks een mediationtraject van 2019 tot 2023, is er geen overeenstemming bereikt. De VvE heeft vervolgens juridische stappen ondernomen. De gedaagden, het Waterschap, de gemeente en de VOF, voeren ieder afzonderlijk verweer. Zij betwisten de aansprakelijkheid en stellen dat de VvE niet-ontvankelijk moet worden verklaard, of dat de vorderingen moeten worden afgewezen.
De beslissing van de rechtbank
De rechtbank heeft de zaak beoordeeld en geconcludeerd dat er geen sprake is van onrechtmatig handelen door het Waterschap, de gemeente of de VOF. De VvE heeft niet voldoende bewezen dat de gedaagden hun onderhouds- of zorgplichten hebben geschonden. De rechtbank oordeelt dat de onderhoudsplicht van het Waterschap niet verder reikt dan wat nodig is voor de instandhouding van de waterkering en het functioneren van de waterhuishouding. Er is geen bewijs dat de werking van de waterkering is aangetast door de gestelde verzakkingen of gronduitspoeling.
De rechtbank stelt verder dat de gemeente niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor het nalaten van maatregelen die ervoor zorgen dat het scheepvaartverkeer ordelijk verloopt. Ook de VOF kan niet aansprakelijk worden gesteld voor het gedrag van schippers of de inrichting van de vaargeul. Er is onvoldoende bewijs dat de vaargeul niet goed is ingericht of dat de VOF daarin tekortschiet.
Aangezien niet is voldaan aan de vereisten voor onrechtmatige daad zoals vastgelegd in artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek, is er geen grond voor schadevergoeding. De vorderingen van de VvE worden dan ook afgewezen. De VvE wordt veroordeeld tot het betalen van de proceskosten van de gedaagden, elk begroot op € 4.401,00, inclusief nakosten en wettelijke rente indien niet tijdig wordt betaald. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.



