De zaak in het kort
De kern van deze zaak betreft een conflict tussen de Vereniging van Eigenaars (VvE) van een appartementsgebouw en Atik Vastgoed B.V. De VvE had in eerste aanleg verschillende vorderingen ingediend tegen Atik Vastgoed, met betrekking tot de kosten en de realisatie van een nog niet voltooid appartementencomplex. De rechtbank had deze vorderingen afgewezen en de VvE in de proceskosten veroordeeld. De VvE ging in hoger beroep, maar tijdens dit proces werden belangrijke VvE-besluiten ingetrokken, waardoor het Gerechtshof Amsterdam oordeelde dat de vorderingen niet meer toewijsbaar waren.
Het verloop van het proces en de feiten
Het geding in hoger beroep begon met een dagvaarding van de VvE op 29 september 2023, waarin zij het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 5 juli 2023 aanvocht. De rechtbank had eerder geoordeeld dat de VvE-vorderingen niet toewijsbaar waren. De VvE wilde dat het hof dit vonnis zou vernietigen en haar vorderingen alsnog zou toewijzen.
De feiten die in hoger beroep niet in geschil waren, omvatten onder andere het volgende: de VvE was opgericht bij splitsingsakte op 26 juli 2017, waarbij het gebouw aan de [A-straat] in twaalf appartementsrechten was gesplitst. Atik Vastgoed was sinds 11 juni 2020 eigenaar van een van de appartementen. In de splitsingsakte was het Modelreglement 2006 van toepassing verklaard, dat bepalingen bevatte over de verdeling van kosten en schulden tussen eigenaren.
Er waren meerdere vergaderingen van de VvE geweest, waarin onder andere besluiten werden genomen over de realisatie van het gebouw en de installatie van een energie-installatie. Echter, na wijzigingen in eigenaarschap en het sluiten van aannemingsovereenkomsten door individuele appartementseigenaren, besloot de VvE op 24 juni 2025 de eerdere besluiten in te trekken.
De beslissing van de rechtbank
Het Gerechtshof Amsterdam bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en wees de vorderingen van de VvE af. Het hof stelde vast dat door de intrekking van de VvE-besluiten van 14 november 2020, 29 januari 2021 en 8 april 2021, deze besluiten niet meer bestonden, waardoor Atik Vastgoed daar niet aan gebonden kon zijn. Hierdoor was de vordering van de VvE om voor recht te verklaren dat Atik Vastgoed aan deze besluiten gebonden was, niet toewijsbaar.
Verder oordeelde het hof dat de VvE geen eigen belang had bij de andere vorderingen die betrekking hadden op de bijdrage van Atik Vastgoed aan de bouwkosten van het appartementencomplex. De meeste appartementseigenaren hadden inmiddels individuele aannemingsovereenkomsten gesloten, en de VvE was niet langer opdrachtgever voor de bouw. Er was geen verplichting meer van de zijde van de VvE die over de individuele eigenaren, waaronder Atik Vastgoed, kon worden omgeslagen.
De vordering van de VvE om Atik Vastgoed te veroordelen tot medewerking aan de bouwwerkzaamheden werd eveneens afgewezen vanwege de onbepaaldheid en vaagheid ervan. Het hof vond dat er onvoldoende aanwijzingen waren dat Atik Vastgoed haar medewerking zou weigeren.
Tot slot wees het hof het bewijsaanbod van de VvE af, aangezien er geen concrete stellingen ter bewijs waren aangeboden die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden. Het hof veroordeelde de VvE in de kosten van het hoger beroep, vastgesteld op € 5.777,00, en bepaalde dat dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad is.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




