De zaak in het kort
In deze zaak beoordeelde het Gerechtshof Den Haag een hoger beroep van [X] B.V. tegen de beslissingen van de rechtbank Den Haag inzake de waardevaststelling van twaalf woningen voor belastingdoeleinden. De heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland had de waarde van deze woningen vastgesteld volgens de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ). De belanghebbende betwistte de vastgestelde waarden, de rechtmatigheid van de aanslagen watersysteemheffing, en eiste een vergoeding voor immateriële schade vanwege overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaar- en beroepsprocedure.
Het verloop van het proces en de feiten
De heffingsambtenaar had de waarde van de woningen per 1 januari 2020 vastgesteld en de bijbehorende aanslagen voor onroerendezaakbelastingen en watersysteemheffing opgelegd. Bij bezwaar verklaarde de heffingsambtenaar deze waarderingen als correct. [X] B.V. stelde hierop beroep in bij de rechtbank, die het beroep ongegrond verklaarde. De belanghebbende ging vervolgens in hoger beroep bij het Gerechtshof Den Haag.
In de procedure voor het gerechtshof werd het geschil uitgebreid besproken. [X] B.V. voerde meerdere gronden aan tegen de beslissingen van de rechtbank. Zo werden onder andere de vergelijkingsobjecten, die door de heffingsambtenaar waren gebruikt om de waarden vast te stellen, in twijfel getrokken. Er werd betoogd dat deze objecten niet voldoende vergelijkbaar waren met de woningen in kwestie. Daarnaast betoogde [X] B.V. dat de heffingsambtenaar niet alle relevante stukken had overgelegd, zoals iWOZ-kaarten en akten van levering van vergelijkingsobjecten. Ook werd er aangevoerd dat de aanslagen watersysteemheffing onterecht waren opgelegd.
Een belangrijk onderdeel van de procedure was ook het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank had geoordeeld dat er geen recht was op deze vergoeding, omdat het financiële belang bij de procedure minder was dan € 1.000 en de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden was overschreden.
De beslissing van de rechtbank
Het Gerechtshof Den Haag bevestigde de uitspraak van de rechtbank Den Haag. Het hof oordeelde dat de heffingsambtenaar de waarden van de woningen aannemelijk had gemaakt door gebruik te maken van systematische vergelijking met vergelijkbare objecten. Ondanks dat [X] B.V. betoogde dat de vergelijkingsobjecten niet voldoende vergelijkbaar waren, vond het hof dat er voldoende correcties waren toegepast om rekening te houden met de verschillen. De heffingsambtenaar had aangetoond dat de vastgestelde waarden niet te hoog waren.
Met betrekking tot het bezwaar dat de heffingsambtenaar niet alle relevante stukken had overgelegd, concludeerde het hof dat de iWOZ-kaarten wel degelijk hadden moeten worden verstrekt. Echter, omdat dit punt pas in hoger beroep aan de orde werd gesteld, leidde dit niet tot een gegrond hoger beroep. Wel vond het hof dat de schending van artikel 8:42 Awb leidde tot een veroordeling van de heffingsambtenaar in de proceskosten van [X] B.V. in het hoger beroep.
Ten aanzien van de aanslagen watersysteemheffing oordeelde het hof dat de betwisting van deze aanslagen te laat was ingebracht en daarom niet in behandeling kon worden genomen.
Het hof verwierp het verzoek om immateriële schadevergoeding. Het financiële belang was minder dan € 1.000, en de redelijke termijn was niet met meer dan twaalf maanden overschreden. Dit viel binnen de richtlijnen die zijn gegeven door de Hoge Raad voor het behandelen van dergelijke verzoeken.
In de slotsom verklaarde het hof het hoger beroep ongegrond. Het bevestigde de uitspraak van de rechtbank, veroordeelde de heffingsambtenaar in de proceskosten van [X] B.V. voor het hoger beroep, en beval de terugbetaling van het door [X] B.V. betaalde griffierecht voor het hoger beroep.
Het gerechtshof benadrukte dat de beoordeling van de zaak zorgvuldig had plaatsgevonden, en dat de gemaakte beslissingen in lijn waren met de geldende wet- en regelgeving. De beslissing benadrukte ook de belangrijke rol van systematische vergelijking in het vaststellen van onroerendezaakwaarden en de noodzaak voor partijen om tijdig hun gronden en bewijsmiddelen aan te dragen binnen de gestelde termijnen van het procesrecht.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.



