De zaak in het kort
De rechtbank Midden-Nederland heeft uitspraak gedaan in een zaak waarin de Vereniging van Eigenaren (VvE) van een bungalowpark de permanente bewoning door een van de eigenaren, aangeduid als [gedaagde sub 2], wilde beëindigen. De VvE stelde dat permanente bewoning niet is toegestaan volgens hun reglementen, tenzij er toestemming is van de gemeente. De gemeente had geen expliciete toestemming verleend, maar had wel laten weten voorlopig niet te zullen handhaven. De rechtbank oordeelde in het voordeel van [gedaagde sub 2], omdat de VvE niet voldoende rekening had gehouden met de toezegging van de gemeente en de bijzondere omstandigheden van [gedaagde sub 2].
Het verloop van het proces en de feiten
De procedure begon met een dagvaarding van de VvE en een reeks aan documenten over en weer tussen partijen. Tijdens de mondelinge behandeling op 29 augustus 2025 waren zowel vertegenwoordigers van de VvE als [gedaagde sub 2] aanwezig. Na een poging tot overleg tussen de partijen werd de zaak voor vonnis aangehouden.
De kwestie draaide om de permanente bewoning van een recreatiewoning op het park door [gedaagde sub 2], hetgeen volgens het splitsingsreglement en het huishoudelijk reglement van de VvE verboden is. [gedaagde sub 2] had echter geen juridische toestemming van de gemeente verkregen voor dit afwijkende gebruik, hoewel de gemeente wel had laten weten niet te zullen handhaven. De VvE had in de ledenvergadering van 6 maart 2023 besloten tot juridische handhaving van het bewoningsverbod, ondanks de eerdere uitspraak van de kantonrechter die bepaalde dat er meer overleg nodig was.
Daarnaast had [gedaagde sub 2] aangevoerd dat de VvE onvoldoende belang had bij de handhaving en dat de volmacht om te procederen onvolledig was. De rechtbank oordeelde echter dat de VvE voldoende belang had en ontvankelijk was in de procedure. Verder werd opgemerkt dat de VvE niet willekeurig moest optreden en dat er overleg had plaatsgevonden met betrokken eigenaren.
De beslissing van de rechtbank
De rechtbank oordeelde dat [gedaagde sub 2] in haar recht stond om op de toezegging van de gemeente te vertrouwen dat er voorlopig niet gehandhaafd zou worden. De VvE had dit niet in haar overwegingen meegenomen en had ook de bijzondere omstandigheden van [gedaagde sub 2] niet voldoende in acht genomen. [gedaagde sub 2] woont al geruime tijd op het park en heeft fysieke beperkingen, waardoor een plotselinge verhuizing problematisch zou zijn. Ook was er onvoldoende overleg geweest na de beschikking van de kantonrechter, ondanks de ernstige gezondheidstoestand van [gedaagde sub 1], de inmiddels overleden partner van [gedaagde sub 2].
De rechtbank concludeerde dat de huidige handhaving van het verbod op permanente bewoning door de VvE in strijd was met de redelijkheid en billijkheid, gezien de bijzondere omstandigheden. Daarom werden de vorderingen van de VvE afgewezen. De VvE werd veroordeeld tot het betalen van de proceskosten van [gedaagde sub 2], die werden begroot op € 1.726,00. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat de VvE de kosten moet betalen, zelfs als er hoger beroep wordt ingesteld.
Dit vonnis benadrukt dat de VvE niet zomaar kan optreden tegen permanente bewoning zonder rekening te houden met toezeggingen van de gemeente en de persoonlijke omstandigheden van de betrokken bewoners. De uitspraak onderstreept het belang van een zorgvuldige overweging en communicatie voordat er juridische stappen worden ondernomen.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.



