De zaak in het kort
Op 29 oktober 2025 heeft de rechtbank Midden-Nederland uitspraak gedaan over een geschil tussen een eiser en de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap. Het betrof de vastgestelde waarde van de woning van de eiser voor de Wet waardering onroerende zaken (WOZ), die door de heffingsambtenaar was bepaald op ⬠764.000,- voor het belastingjaar 2023. De eiser was het niet eens met deze waardebepaling en had bezwaar gemaakt, wat ongegrond was verklaard. Daarop volgde een beroep bij de rechtbank, waarin de eiser een lagere WOZ-waarde bepleitte.
Het verloop van het proces en de feiten
De heffingsambtenaar had op 28 februari 2023 de WOZ-waarde van de woning vastgesteld op basis van de waardepeildatum 1 januari 2022. De woning, een bovenwoning met meerdere bijgebouwen en buitenruimten, was gewaardeerd aan de hand van de vergelijkingsmethode. Hierbij werden de verkoopprijzen van vergelijkbare woningen gebruikt om de waarde te bepalen. De heffingsambtenaar diende een taxatiematrix in ter onderbouwing, waarin vier vergelijkbare woningen in de omgeving werden genoemd met verkoopprijzen variërend van ⬠620.000,- tot ⬠760.000,-.
De rechtbank besloot dat een zitting niet nodig was en behandelde de zaak schriftelijk. De eiser voerde meerdere gronden aan waarom de WOZ-waarde volgens hem te hoog was vastgesteld. Hij noemde onder meer de gedateerde badkamer, de matige staat van onderhoud, het lage duurzaamheidsniveau, de ligging nabij bedrijvigheid, een recht van overpad, de invloed van de Vereniging van Eigenaars (VVE), het gebruik van nieuwe referentiewoningen in bezwaar, het bouwjaar van de woning en de ligging/etage-effecten.
De beslissing van de rechtbank
De rechtbank heeft de argumenten van de eiser beoordeeld en geconcludeerd dat de heffingsambtenaar de WOZ-waarde voldoende aannemelijk heeft gemaakt met de geleverde taxatiematrix. De referentiewoningen werden als goed vergelijkbaar beschouwd, en de rechtbank oordeelde dat er bij de waardebepaling voldoende rekening was gehouden met verschillen zoals onderhoud en voorzieningen.
Ten aanzien van de gedateerde badkamer, de staat van onderhoud, het duurzaamheidsniveau en de ligging nabij bedrijvigheid, vond de rechtbank dat eiser onvoldoende objectieve gegevens had aangevoerd om zijn bezwaren te onderbouwen. Zo ontbraken er bijvoorbeeld fotoās of andere verifieerbare bewijzen die de staat van de badkamer of het onderhoud konden illustreren. Ook de andere aangevoerde gronden, zoals het recht van overpad, de invloed van de VVE, en het gebruik van nieuwe referentiewoningen, werden door de rechtbank niet als overtuigend beschouwd.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde de vastgestelde WOZ-waarde van ⬠764.000,-. Hierdoor was er geen aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten of het griffierecht. Partijen die het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen binnen zes weken na verzending van de uitspraak hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




