De zaak in het kort
In deze zaak boog de rechtbank Rotterdam zich over verzoeken van een gedupeerde van de toeslagenaffaire, aangeduid als eiseres, om overname of compensatie van geldschulden op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De minister van Financiën had deze verzoeken afgewezen, en de rechtbank oordeelde dat de minister dit terecht had gedaan. De beroepen van eiseres tegen deze beslissingen werden ongegrond verklaard.
Het verloop van het proces en de feiten
Eiseres, die gedupeerd is door de toeslagenaffaire, had aanvragen ingediend voor de overname of compensatie van geldschulden op basis van de Wht. De minister van Financiën wees deze aanvragen af, omdat werd geoordeeld dat de schulden niet voldeden aan de voorwaarden voor overname of compensatie. Deze afwijzingen betroffen zowel niet-betaalde schulden als al betaalde schulden. In totaal betrof het drie afzonderlijke besluiten die op verschillende data waren afgegeven.
Eiseres maakte bezwaar tegen deze besluiten, maar de minister verklaarde de bezwaren ongegrond. Vervolgens stelde eiseres beroep in bij de rechtbank. Tijdens de procedure voor de rechtbank werden de zaken samengevoegd en in één keer behandeld. De rechtbank onderzocht de juridische grondslagen van de afwijzingen en de bezwaren die door eiseres waren ingebracht.
In de kern draaiden de procedures om de vraag of de minister de aanvragen van eiseres om overname of compensatie van geldschulden terecht had afgewezen. Eiseres betoogde onder meer dat de minister het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel had geschonden. Daarnaast voerde zij aan dat de minister ten onrechte de hardheidsclausule niet had toegepast.
De beslissing van de rechtbank.
De rechtbank kwam tot de conclusie dat de minister de afwijzing van de aanvragen voldoende had gemotiveerd en dat er geen sprake was van schending van het motiveringsbeginsel. In de beslissingen op bezwaar had de minister per schuld toegelicht waarom deze niet in aanmerking kwam voor overname of compensatie, en er was geen onduidelijkheid over de motivering geconstateerd.
Ook het zorgvuldigheidsbeginsel was volgens de rechtbank niet geschonden. De rechtbank benadrukte dat het aan de aanvrager is om de benodigde gegevens en bescheiden te verstrekken die nodig zijn voor de besluitvorming. De minister kon zich baseren op de stukken die eiseres had ingediend, en er was geen verplichting voor de minister om actief verder onderzoek te verrichten.
Ten aanzien van de inhoudelijke beoordeling van de schulden concludeerde de rechtbank dat de minister de aanvragen terecht had afgewezen. De wetgever had duidelijk bepaald dat alleen opeisbare schulden of achterstanden in aanmerking komen voor overname of compensatie, en de schulden van eiseres voldeden niet aan deze criteria.
Wat betreft de hardheidsclausule oordeelde de rechtbank dat de minister in redelijkheid had kunnen besluiten deze niet toe te passen. Eiseres had weliswaar te maken met schulden en stress, maar er was geen sprake van zodanige financiële nood of ernstige medische omstandigheden dat deze een beroep op de hardheidsclausule rechtvaardigden.
Verder wees de rechtbank het beroep van eiseres af dat zij een zienswijze had moeten kunnen indienen voorafgaand aan de afwijzingen. De wettelijke bepalingen stonden een dergelijke verplichting niet toe in dit geval.
Het beroep tegen het niet-tijdig beslissen op een van de bezwaren werd niet-ontvankelijk verklaard, omdat de minister inmiddels een beslissing had genomen. De rechtbank veroordeelde de minister wel tot het vergoeden van de proceskosten en het griffierecht in deze zaak.
In conclusie verklaarde de rechtbank de beroepen van eiseres ongegrond, wat betekende dat de minister de geldschulden niet hoefde over te nemen of te compenseren. De minister werd wel veroordeeld in de proceskosten van het beroep tegen het niet-tijdig beslissen en moest het betaalde griffierecht vergoeden.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




