De zaak in het kort
In deze zaak beoordeelde de rechtbank Midden-Nederland een geschil tussen vier verzoekers en een vereniging van eigenaars (VvE) met betrekking tot de geldigheid van verschillende besluiten die tijdens een algemene ledenvergadering waren genomen. De verzoekers, die particuliere eigenaren van appartementen zijn, betwistten de rechtmatigheid van de besluiten om de bouwcommissie op te heffen, de jaarstukken van 2023 goed te keuren, het bestuur decharge te verlenen, en de vaststelling van de definitieve bijdrage om het exploitatietekort aan te zuiveren. De kantonrechter oordeelde dat de besluiten rond de jaarstukken, decharge van het bestuur en de vaststelling van de bijdrage in strijd waren met de redelijkheid en billijkheid, terwijl het besluit om de bouwcommissie op te heffen rechtsgeldig was.
Het verloop van het proces en de feiten
De procedure begon met de indiening van een verzoekschrift door de verzoekers, dat was voorzien van verschillende bijlagen. De VvE, vertegenwoordigd door mr. D.N. Reijnders en mr. M.E. Wesselingh, reageerde met een verweerschrift en aanvullende stukken. Tijdens de mondelinge behandeling op 26 maart 2025 werd besproken dat er commissies zouden worden gevormd om de problematiek verder te bespreken. Echter, op 4 juni 2025 gaf de VvE aan dat zij wenste dat de procedure werd voortgezet en dat de kantonrechter uitspraak zou doen.
De kern van het geschil lag in de besluiten die op 4 december 2024 tijdens een bijzondere algemene ledenvergadering van de VvE waren genomen. Deze besluiten hielden onder meer in het opheffen van de bouwcommissie, goedkeuring van de jaarstukken 2023, verlening van decharge aan het bestuur over het beleid van 2023 en de vaststelling van een definitieve bijdrage voor het dekken van een exploitatietekort. Verzoekers voerden aan dat deze besluiten in strijd waren met de redelijkheid en billijkheid of niet volgens de juiste procedures waren genomen.
Het juridische kader voor de beoordeling van de besluiten van de VvE werd gevormd door de artikelen 2:14 en 2:15 van het Burgerlijk Wetboek (BW), die bepalen dat besluiten nietig kunnen zijn als ze in strijd zijn met de wet, statuten of het splitsingsreglement, of vernietigbaar als ze in strijd zijn met de redelijkheid en billijkheid.
De beslissing van de rechtbank
De kantonrechter oordeelde dat het besluit om de bouwcommissie op te heffen rechtsgeldig was genomen met een volstrekte meerderheid van stemmen en niet in strijd was met de redelijkheid en billijkheid. De opheffing betrof regels betreffende het gebruik van privégedeelten en vereiste daarom geen gekwalificeerde meerderheid van stemmen.
Het besluit om de jaarstukken 2023 goed te keuren en vast te stellen werd daarentegen vernietigd. De kantonrechter oordeelde dat de goedkeuring van de jaarstukken in strijd was met de redelijkheid en billijkheid, mede omdat de kascommissie had aangegeven dat zij niet voldoende informatie had gekregen om de jaarstukken adequaat te controleren. Dit gebrek aan transparantie was volgens de kantonrechter van voldoende gewicht om het besluit te vernietigen.
Het besluit om het bestuur decharge te verlenen over het gevoerde beleid in 2023 werd eveneens vernietigd. De kantonrechter achtte het, gezien de problemen met de goedkeuring van de jaarstukken, onredelijk om het bestuur decharge te verlenen.
Tot slot werd ook het besluit om het exploitatieresultaat 2023 te verrekenen met de algemene reserve en het overige deel in rekening te brengen aan de leden vernietigd. Aangezien de omvang van het tekort nog onduidelijk was, mede door de onvolledige informatieverstrekking, achtte de kantonrechter het besluit vernietigbaar op grond van strijd met de redelijkheid en billijkheid.
De proceskosten werden gecompenseerd, wat betekent dat elke partij haar eigen kosten moest dragen. Deze beschikking werd op 19 november 2025 uitgesproken door de kantonrechter, mr. S.H. Gaertman.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




