De zaak in het kort
In deze civielrechtelijke zaak, behandeld door de rechtbank Noord-Nederland, speelt een conflict tussen een verhuurder, aangeduid als [eiser], en de huurders, aangeduid als [gedaagde partijen]. Het geschil betreft de redelijkheid van de aanvangshuurprijs van een woning en de aanwezigheid van vocht- en schimmelproblemen in de gehuurde woonruimte. De huurders vorderden een verlaging van de huurprijs en vergoeding van schade veroorzaakt door deze problemen. De rechtbank moest beslissen over de redelijkheid van de aanvangshuurprijs, de rechtmatigheid van de huurachterstand en de noodzaak tot huurprijsverlaging vanwege de gebreken aan de woning.
Het verloop van het proces en de feiten
De procedure begon met een tussenvonnis op 29 april 2025. Daarna volgden diverse processtukken, waaronder een conclusie van antwoord en een mondelinge behandeling. De kern van het conflict betreft een huurcontract voor een woning die vanaf mei 2023 gehuurd werd met een maandelijkse huur van €1.175. In oktober 2023 meldden de huurders vocht- en schimmelproblemen in de woning, waarvoor zij verschillende keren contact opnamen met de beheerder en de verhuurder. Een deskundigenrapport in februari 2024 wees op ernstige schimmelvorming en een niet-geïsoleerde lekkende dakconstructie als oorzaak.
De huurders vroegen de huurcommissie de redelijkheid van de huurprijs te toetsen. De commissie stelde de redelijke huur op €690,01 per maand. De huurders hielden vervolgens een deel van de huur achter vanwege de voortgezette problemen met vocht en schimmel. In april 2025 werden dakreparaties uitgevoerd, waarna de problemen naar verluidt verholpen waren.
De beslissing van de rechtbank
De rechtbank behandelde de zaak zowel in conventie (de vorderingen van de verhuurder) als in reconventie (de eisen van de huurders). Bij de beoordeling van de huurprijs stelde de rechtbank vast dat de huurcommissie niet meer bindend was, omdat [eiser] tijdig een rechterlijke uitspraak had gevraagd. De kantonrechter gebruikte het woningwaarderingsstelsel om de huurprijs te beoordelen en kwam uit op 156 punten, wat betekende dat er sprake was van een geliberaliseerde huurprijs. Hierdoor was de overeengekomen huurprijs van €1.175 per maand redelijk.
Wat betreft de huurachterstand, stelde de rechtbank vast dat de huurders een huurprijs van €1.239,63 per maand verschuldigd waren van september 2024 tot september 2025. Dit resulteerde in een huurachterstand van €6.899,26. De rechtbank wees de gevorderde wettelijke handelsrente af, maar kende de reguliere wettelijke rente toe voor het geval de huurachterstand niet tijdig betaald werd.
De kantonrechter oordeelde dat de vocht- en schimmelproblemen als een substantieel gebrek golden dat het huurgenot aanzienlijk aantastte. De huurprijs werd daarom tijdelijk met 30% verlaagd voor de periode waarin de problemen zich voordeden. [Eiser] werd veroordeeld tot terugbetaling van een bedrag van €6.538,89 aan te veel betaalde huur. Ook werd [eiser] veroordeeld om €2.915,00 te betalen als schadevergoeding voor beschadigde apparatuur, met uitzondering van de draaitafel, waarvoor onvoldoende bewijs van schade was geleverd.
De rechtbank wees de vordering van de huurders tot vergoeding van kosten voor een kapotte cv-ketel af, omdat niet bewezen was dat [eiser] zijn herstelverplichting niet was nagekomen. Ook de gevorderde contractuele boete en buitengerechtelijke incassokosten door [eiser] werden afgewezen. De proceskosten werden verdeeld; [gedaagde partijen] moesten de kosten in conventie betalen, terwijl [eiser] de kosten in reconventie moest dragen. De beslissing werd uitvoerbaar verklaard bij voorraad.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




