De zaak in het kort
In deze tussenuitspraak van de rechtbank Rotterdam draait het om een conflict tussen een individu, aangeduid als de eiseres, en het college van burgemeester en wethouders van Schiedam, met een derde partij betrokken als een vereniging van eigenaren (VVE). De eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het college om niet handhavend op te treden tegen de VVE, die zonder omgevingsvergunning drie vensteropeningen in een zijgevel had laten aanbrengen. De kern van de zaak is dat de VVE wordt aangemerkt als overtreder van het verbod om een zonder omgevingsvergunning gebouwd bouwwerk in stand te laten, maar niet als overtreder van het verbod op bouwen zonder omgevingsvergunning, omdat de huidige eigenaren de ramen niet hebben aangebracht. De rechtbank heeft geoordeeld dat er niet genoeg is gemotiveerd waarom handhavend optreden onevenredig zou zijn, en geeft het college de gelegenheid om het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.
Het verloop van het proces en de feiten
Het proces begon met een verzoek van de eiseres aan het college om handhavend op te treden tegen de VVE vanwege het zonder vergunning aanbrengen van vensteropeningen. Het college wees dit verzoek aanvankelijk af in een besluit van januari 2022, dat later werd gewijzigd met een aanvullende motivering. De eiseres was het niet eens met de afwijzing en stelde beroep in tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar door het college. Uiteindelijk werd het bezwaar behandeld en de afwijzing van het handhavingsverzoek gehandhaafd in een besluit van juni 2023, wat leidde tot verdere juridische stappen door de eiseres.
De rechtbank behandelde de zaak op zitting in oktober 2025, waarbij verschillende partijen aanwezig waren, waaronder vertegenwoordigers van de eiseres, het college en de VVE. Een belangrijke factor in de zaak is de toepassing van de Wabo (Wet algemene bepalingen omgevingsrecht) en de overgang naar de Omgevingswet. Het verzoek om handhaving was ingediend voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, waardoor het oude recht van toepassing bleef.
Tijdens de zitting kwamen diverse argumenten naar voren, met name over de vraag of de VVE als overtreder kon worden aangemerkt en of er sprake was van bijzondere omstandigheden die handhaving onredelijk zouden maken. De rechtbank constateerde dat het college te laat op het bezwaar van de eiseres had beslist en oordeelde dat het besluit onvoldoende was gemotiveerd.
De beslissing van de rechtbank
De rechtbank kwam tot het oordeel dat het college het bezwaar van de eiseres te laat had behandeld en dat het college daarom een dwangsom moest betalen. Belangrijker was echter dat het college onvoldoende had gemotiveerd waarom van handhaving moest worden afgezien. In de tussenuitspraak kreeg het college de opdracht om het besluit te herzien en een meer gedegen motivering te geven over het al dan niet handhaven van de overtreding van de Wabo. Het college heeft de mogelijkheid om met een aanvullende motivering of een nieuw besluit op bezwaar te komen, waarbij rekening moet worden gehouden met de criteria voor handhaving, zoals concreet zicht op legalisatie of onevenredigheid van handhavend optreden.
De rechtbank gaf het college twaalf weken de tijd om het gebrek te herstellen en binnen twee weken moest het college aangeven of het van deze mogelijkheid gebruik zou maken. De rechtbank hield verdere beslissingen aan tot de einduitspraak, waaronder die over proceskosten en mogelijke schadevergoeding voor de eiseres.
In essentie biedt deze tussenuitspraak het college een laatste kans om het besluit te verduidelijken en eventuele handhavingsmaatregelen beter te onderbouwen, voordat de rechtbank een definitieve uitspraak doet. Het is een poging om zowel de juridische belangen van de eiseres als de rechten van de VVE te wegen binnen de kaders van de wetgeving die van kracht was ten tijde van de vermeende overtreding.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




