De zaak in het kort
De rechtbank Den Haag behandelde een geschil tussen appartementseigenaren en de eigenaar van een aangrenzend garagecomplex. Het centrale punt was de vraag of een schuurtje, dat fysiek grenst aan het garagecomplex, tot het appartementsrecht van de eisers behoort. De eisers vorderden ontruiming van het schuurtje, terwijl de gedaagden zich op bevrijdende verjaring beroepen. De rechtbank honoreerde het beroep op verjaring en wees de vordering van de eisers af, omdat het schuurtje al meer dan twintig jaar onder de feitelijke macht van de garagecomplexeigenaar viel.
Het verloop van het proces en de feiten
De procedure begon met een dagvaarding op 2 mei 2025. De mondelinge behandeling vond plaats op 13 oktober 2025. Tijdens de zitting werden de standpunten van beide partijen toegelicht. De eisers, die sinds 18 september 2023 eigenaar zijn van het appartementsrecht, claimen dat het achtste schuurtje tot hun eigendom behoort en eisen ontruiming ervan door de huidige gebruikers, de gedaagden. De gedaagden zijn sinds 28 april 2008 eigenaar van het garagecomplex en stellen dat het schuurtje altijd onderdeel van het garagecomplex is geweest. Ze beroepen zich op verkrijgende verjaring, omdat zij en hun rechtsvoorgangers het schuurtje al meer dan twintig jaar in bezit hebben.
De rechtbank moest beoordelen of het schuurtje tot het appartementsrecht van de eisers behoort of tot het garagecomplex van de gedaagden. De splitsingsakte uit 1978 en de bouwtekeningen uit 1958 speelden hierbij een cruciale rol. De splitsingsakte noemde een “box” die tot het appartementsrecht van de eisers behoort, maar er was onduidelijkheid of dit ook het achtste schuurtje betrof. De gedaagden voerden aan dat de muur tussen het zevende en achtste schuurtje al sinds 1958 bestond en dat het schuurtje alleen toegankelijk was via het garagecomplex, wat hun bezit claim ondersteunde.
De beslissing van de rechtbank.
De rechtbank volgde het betoog van de gedaagden en honoreerde hun beroep op bevrijdende verjaring. Op basis van artikel 3:105 BW en artikel 3:306 BW stelde de rechtbank vast dat de gedaagden gedurende de vereiste verjaringstermijn van twintig jaar het bezit van het schuurtje hadden, ook al was het bezit niet te goeder trouw. De rechtbank oordeelde dat de feitelijke macht over het schuurtje steeds bij de garagecomplexeigenaar lag en dat er geen bewijs was dat de appartementseigenaar ooit een persoonlijk gebruiksrecht had verleend.
Het beroep op verjaring slaagde omdat de situatie waarin de eigenaar van het garagecomplex het schuurtje gebruikte, meer dan twintig jaar had voortgeduurd zonder dat de verjaring werd gestuit. De rechtbank wees de vordering van de eisers om ontruiming van het schuurtje af en veroordeelde hen in de kosten van de procedure, begroot op € 1.737.
In reconventie vorderde [gedaagde 1] een verklaring voor recht dat hij, door verjaring, eigenaar van het schuurtje was. De rechtbank verklaarde [gedaagde 1] niet-ontvankelijk in zijn vordering, omdat niet alle appartementseigenaren, die gezamenlijk eigenaar zijn van de grond onder het appartementsrecht, partij waren in de procedure. De rechtbank veroordeelde [gedaagde 1] in de kosten van de reconventionele procedure, begroot op € 892.
Dit vonnis illustreert hoe eigendomsrechten en verjaring in het Nederlandse rechtssysteem werken, vooral in complexe situaties met meerdere eigenaren en langlopende bezitskwesties. De zaak benadrukt ook het belang van duidelijke eigendoms- en gebruiksafspraken bij onroerend goed om juridische geschillen te voorkomen.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.



