De zaak in het kort
In deze zaak bij de rechtbank Limburg speelt een conflict tussen een onderhuurder en hun verhuurder over de doorberekening van hogere energiekosten die zijn ontstaan door een nieuwe energie-overeenkomst tijdens de energiecrisis. De onderhuurder claimt dat zowel de hoofdverhuurder als de verhuurder hebben gefaald in hun zorgplicht door de kosten zonder overleg door te berekenen. Deze kostenverhoging heeft volgens de onderhuurder geleid tot een onredelijke financiële last, waardoor het normale gebruik van de gehuurde ruimte wordt belemmerd. De onderhuurder eist een schadevergoeding of huurprijsvermindering, terwijl de verhuurder in reconventie betaling van de openstaande energiekosten, een contractuele boete en incassokosten vordert.
Het verloop van het proces en de feiten
De zaak is ontstaan doordat de Vereniging van Eigenaren (VvE), als hoofdverhuurder van de bedrijfsruimte, een nieuwe energieovereenkomst heeft afgesloten die leidde tot hogere energiekosten. Deze kosten zijn vervolgens door de verhuurder aan de onderhuurder doorbelast. De huurovereenkomst tussen de onderhuurder en verhuurder bevatte clausules die de verhuurder het recht gaven om de kosten van leveringen en diensten, inclusief energie, na overleg met de huurder te wijzigen. Echter, de onderhuurder beweert dat er geen overleg heeft plaatsgevonden over de redelijkheid van de kosten, wat in strijd zou zijn met de zorgplicht van de verhuurder.
Tijdens de procedure werden diverse stukken overlegd, waaronder een vonnis in een vrijwaringsincident, een conclusie van antwoord in reconventie en aanvullende producties. Er werd een mondelinge behandeling gehouden waarin partijen hun standpunten toelichtten. De rechtbank besloot om de hoofdzaak en de vrijwaringszaak te splitsen, gezien de complexiteit en duur van de vrijwaringsprocedure.
De onderhuurder betoogde dat de verhoging van het energietarief zonder overleg en de structurele onderhoudsproblemen aan het gehuurde leidden tot een gebrek in de zin van artikel 7:204 BW. Dit gebrek belemmerde volgens hen het normale gebruik van het gehuurde. De verhuurder daarentegen vorderde betaling van de openstaande energiekosten, een contractuele boete wegens te late betaling en de vergoeding van advocaatkosten of buitengerechtelijke incassokosten.
De beslissing van de rechtbank
De rechtbank wees de vorderingen van de onderhuurder in conventie af. De kantonrechter oordeelde dat er geen rechtsregel bestond die de verhuurder verplichtte om het overleg te voeren zoals door de onderhuurder werd gesteld. Bovendien zou overleg niet noodzakelijkerwijs tot een andere uitkomst hebben geleid. De rechtbank stelde vast dat de hogere energiekosten geen gebrek vormden in de zin van artikel 7:204 BW omdat deze niet betrekking hadden op de verhuurde zaak zelf. Ook het argument van structurele onderhoudsproblemen werd verworpen vanwege gebrek aan voldoende onderbouwing.
In reconventie werd de vordering van de verhuurder grotendeels toegewezen. De onderhuurder werd veroordeeld tot betaling van de energiekosten zoals gefactureerd, evenals een contractuele boete en een deel van de gevorderde incassokosten. De rechtbank oordeelde dat het verzuim van rechtswege was ingetreden vanwege het verstrijken van de betalingstermijn zonder betaling door de onderhuurder. De gevorderde advocaatkosten werden echter afgewezen, omdat deze niet specifiek waren onderbouwd en het Nederlandse rechtsstelsel geen volledige vergoeding van advocaatkosten kent.
Tot slot veroordeelde de rechtbank de onderhuurder in de proceskosten van zowel de conventie als de reconventie, aangezien zij in beide procedures grotendeels in het ongelijk waren gesteld. De uitspraak benadrukt het belang van duidelijke contractuele afspraken en communicatie tussen huurders en verhuurders, vooral in situaties van veranderende externe omstandigheden zoals een energiecrisis.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




