De zaak in het kort
Het Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba heeft een civielrechtelijke zaak behandeld tussen de vereniging Tierra del Sol Master Association (de VVE) en een gedaagde die eigenaresse is van een appartementsrecht binnen de VVE. De gedaagde was achterstallig met de betaling van de verschuldigde VVE-bijdragen. De VVE vorderde betaling van de achterstallige bedragen, inclusief wettelijke rente, boeterente, en buitengerechtelijke incassokosten. De gedaagde erkende de hoofdsom maar betwistte het openstaande saldo en voerde verweer tegen de vorderingen. De rechtbank heeft de vorderingen deels toegewezen en de gedaagde veroordeeld tot betaling van de verschuldigde bedragen.
Het verloop van het proces en de feiten
De procedure begon met een verzoekschrift van de VVE, gevolgd door een conclusie van antwoord van de gedaagde. Daarna volgden een conclusie van repliek met een wijziging van eis, een conclusie van dupliek, en een akte uitlating producties. De gedaagde is eigenaresse van een appartementsrecht binnen de VVE en daarmee verplicht om VVE-bijdragen te betalen. Vanwege achterstallige betalingen had de VVE conservatoire beslagen gelegd op eigendommen van de gedaagde. De VVE vorderde een bedrag van USD 25.258,14, te vermeerderen met wettelijke rente en een late fee, en USD 2.346,00 aan maintenance fee per half jaar. Daarnaast eiste de VVE USD 11.544,45 aan buitengerechtelijke incassokosten.
De gedaagde voerde verweer en stelde dat een deel van de vorderingen verjaard was. Bij de conclusie van antwoord erkende de gedaagde echter de oorspronkelijke hoofdsom, wat volgens artikel 133 Rv een gerechtelijke erkenning inhoudt, waardoor zij niet meer op haar verjaringsverweer kon terugkomen. De VVE bevestigde de ontvangst van betalingen van de gedaagde, maar er bleef een bedrag van USD 17.353,27 openstaan. De gedaagde betwistte of alle betalingen correct waren verwerkt, maar de rechtbank oordeelde dat de in rekening gebrachte bedragen en gedane betalingen voldoende duidelijk waren.
De beslissing van de rechtbank
De rechtbank oordeelde dat er geen sprake was van verjaring van de vorderingen of de bijkomende vorderingen van rente, boeterentes en buitengerechtelijke incassokosten. De rechtbank verwierp het verweer van de gedaagde dat de rente niet goed berekend zou zijn, omdat zij geen alternatieve berekening had verstrekt. De boeterente werd toegewezen omdat hiertegen geen verweer was gevoerd.
Wat betreft de buitengerechtelijke incassokosten, vond de rechtbank het gevorderde bedrag van USD 11.554,45 excessief. Hoewel de gedaagde weigerachtig was met betalen, was de VVE ook nalatig geweest door pas na 15 jaar juridische stappen te ondernemen. Daarom zocht de rechtbank aansluiting bij het eigen Procesreglement en wees een bedrag toe dat overeenkomt met 1,5 procespunt aan buitengerechtelijke incassokosten. De wettelijke rente over deze kosten werd beperkt tot de periode vanaf 14 dagen na het vonnis.
De rechtbank wees de veroordeling voor toekomstige maintenance fees toe, maar wel beperkt tot het jaar 2025, aangezien toekomstige omstandigheden of verweren nog onbekend zijn. De gedaagde werd veroordeeld in de proceskosten, inclusief de beslagkosten, maar de hoogte van het griffierecht werd verlaagd omdat de buitengerechtelijke incassokosten maar deels werden toegewezen.
Tot slot verklaarde de rechtbank de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad, wat betekent dat de gedaagde direct tot betaling moet overgaan, ongeacht een eventueel hoger beroep. Het vonnis werd uitgesproken op 19 november 2025 door rechter mr. A.J.J. van Rijen.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.



