De zaak in het kort
In deze zaak wordt de eigendom van een schuurtje betwist, dat volgens de eisers onderdeel uitmaakt van hun appartementsrecht. De gedaagden, met name de eigenaar van een aangrenzend garagecomplex, beroepen zich op verjaring om het eigendom te claimen. De rechtbank moet beslissen of het schuurtje ontruimd moet worden en of het eigendom door verjaring is overgegaan naar de eigenaar van het garagecomplex.
Het verloop van het proces en de feiten
De procedure begon met een dagvaarding op 2 mei 2025. De eisers, die sinds september 2023 eigenaar zijn van een appartementsrecht, vorderen de ontruiming van een schuurtje dat volgens hen tot hun eigendom behoort. De gedaagden, waaronder de eigenaar van een garagecomplex, bestrijden dit en stellen dat het schuurtje altijd onderdeel is geweest van hun eigendom.
De eigendomskwestie draait om een schuurtje dat onderdeel uitmaakt van een rij van acht schuurtjes, gebouwd tegen de zuidoostelijke zijde van het garagecomplex. Het schuurtje is bereikbaar via een poort die toegang geeft tot een achterpad. De gedaagden hebben het schuurtje verhuurd en een deur naar het achterpad geplaatst, wat leidde tot het huidige conflict.
Bij de mondelinge behandeling op 13 oktober 2025 hebben beide partijen hun standpunten uiteengezet. De eisers stellen dat het schuurtje tot hun appartementsrecht behoort en beroepen zich op een notariƫle splitsingsakte uit 1978, terwijl de gedaagden betogen dat het schuurtje altijd deel heeft uitgemaakt van het garagecomplex, en beroepen zich daarbij op een verjaringstermijn van 20 jaar.
De beslissing van de rechtbank
De rechtbank moet allereerst vaststellen of het schuurtje tot het appartementsrecht van de eisers behoort. Uit de overgelegde documenten en situatietekeningen blijkt dat het schuurtje niet tot de oorspronkelijke eigendomsoverdracht van 1958 behoorde. De splitsingsakte van 1978 vermeldt het betrokken kadastrale perceel wel, maar de rechtbank laat in het midden of het schuurtje daadwerkelijk tot het appartementsrecht behoort, omdat het beroep op verjaring van doorslaggevend belang is.
Artikel 3:105 BW, dat betrekking heeft op bevrijdende verjaring, speelt een cruciale rol in deze zaak. De rechtbank stelt vast dat de eigenaar van het garagecomplex de feitelijke macht over het schuurtje heeft gehad gedurende de verjaringstermijn van twintig jaar. Dit is mede gebaseerd op de bouwtekeningen, fotoās en de geschiedenis van het gebruik van het schuurtje. De tussenmuur tussen het zevende en achtste schuurtje, die er al sinds 1958 lijkt te staan, bevestigt dat het schuurtje alleen via het garagecomplex toegankelijk was.
Omdat de verjaringstermijn van twintig jaar is voltooid zonder dat deze is gestuit, oordeelt de rechtbank dat het eigendom van het schuurtje door verjaring is overgegaan naar de eigenaar van het garagecomplex. De vordering van de eisers tot ontruiming van het schuurtje wordt daarom afgewezen.
In reconventie vordert de eigenaar van het garagecomplex een verklaring voor recht dat hij eigenaar is van het schuurtje. Echter, omdat de onderliggende grond tot de gezamenlijke eigendom van alle appartementseigenaren behoort, kan een dergelijke verklaring alleen worden gegeven in een procedure waarin alle eigenaren partij zijn. De gedaagde wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering.
De proceskosten worden in conventie toegewezen aan de gedaagden, terwijl in reconventie de kosten voor rekening van de eisers komen. De rechtbank verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




