De zaak in het kort
De rechtbank Den Haag heeft een uitspraak gedaan over de afwijzing van een omgevingsvergunning voor het vervangen van kozijnen in een appartement gelegen in een beschermd stadsgezicht in de wijk Benoordenhout, Den Haag. De eiser had deze vergunning aangevraagd met de bedoeling zijn woning te verduurzamen en de kozijnen te vervangen door dunnere profielen die volgens hem beter bij de oorspronkelijke bouwstijl van het gebouw passen. Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag wees deze aanvraag echter af, met de motivatie dat het bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand en de cultuurhistorische waarden die gelden voor het beschermd stadsgezicht. De rechtbank oordeelde dat het college terecht de aanvraag heeft afgewezen en verklaarde het beroep van de eiser ongegrond.
Het verloop van het proces en de feiten
De eiser heeft een omgevingsvergunning aangevraagd voor het vervangen van de kozijnen in zijn appartement. Deze aanvraag werd op 31 maart 2023 door het college afgewezen. Op 10 oktober 2023 bleef het college bij deze afwijzing na bezwaar van de eiser. De eiser ging vervolgens in beroep tegen het bestreden besluit, waarop het college reageerde met een verweerschrift. De rechtbank behandelde het beroep op 27 juni 2025, waarbij de eiser en de gemachtigde van het college aanwezig waren.
De Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet zijn per 1 januari 2024 in werking getreden. Omdat de aanvraag van de omgevingsvergunning vóór deze datum werd ingediend, is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) van toepassing gebleven.
Het college baseerde zijn afwijzing op een negatief advies van de Welstands- en monumentencommissie (Wmc), die oordeelde dat het bouwplan in strijd is met zowel de redelijke eisen van welstand als de cultuurhistorische waarden van het beschermd stadsgezicht. Volgens de Wmc zou de samenhang van het gevelbeeld verloren gaan als de kozijnen van een enkele woning aangepast worden. Dit zou afbreuk doen aan de beschermde cultuurhistorische waarde van een homogene straatwand binnen het stadsgezicht.
De beslissing van de rechtbank
De rechtbank oordeelde dat het college terecht het advies van de Wmc heeft gevolgd, ondanks dat het college niet verplicht is om een welstandsadvies op te volgen. De rechtbank vond dat het advies van de Wmc op zorgvuldige wijze tot stand was gekomen en dat de redenering en conclusies begrijpelijk waren. Hoewel er een motiveringsgebrek was in het bestreden besluit, omdat de Wmc niet duidelijk maakte met welk criterium uit de Welstandsnota het bouwplan in strijd moet worden geacht, passeerde de rechtbank dit gebrek. Dit omdat aannemelijk was dat de eiser en andere belanghebbenden niet in hun belangen werden geschaad, gezien de afwijzing ook gebaseerd was op strijd met de cultuurhistorische waarden.
De rechtbank benadrukte dat de beheersverordening “Benoordenhout Noord-Oost” van toepassing is op het perceel van de eiser, met de bestemming “Wonen-2” en de dubbelbestemming “Waarde-Cultuurhistorie”. Het college heeft het bouwplan terecht in strijd geacht met de cultuurhistorische waarden zoals beschreven in de toelichting op het aanwijzingsbesluit voor het beschermd stadsgezicht. De samenhang van het gevelbeeld binnen het bouwblok achtte de Wmc van groter belang voor de bescherming van deze waarden. Het oordeel van de Wmc dat de homogeniteit van de straatwand een beschermde cultuurhistorische waarde is, werd door de rechtbank als navolgbaar beschouwd.
De argumenten van de eiser dat het door hem gewenste profiel beter aansluit bij de oorspronkelijke bouwstijl en dat het bouwblok in de toekomst weer samenhang zou kunnen tonen, werden verworpen. De rechtbank stelde dat de oorspronkelijke stijl van de kozijnen geen beschermde cultuurhistorische waarde is en dat het college niet verplicht is de toekomstige afspraken van de eiser met de Vereniging van Eigenaren af te dwingen.
Het beroep van de eiser op het gelijkheidsbeginsel, waarbij hij stelde dat bij een ander adres in de buurt een afwijkend kozijnprofiel was toegestaan, werd door de rechtbank ook verworpen. Het college had aangetoond dat er geen sprake was van een vergelijkbaar geval, omdat in dat bouwblok al geen uniforme gevelbeeld meer bestond.
Tot slot oordeelde de rechtbank dat het college terecht het algemeen belang bij het behoud van de cultuurhistorische waarden zwaarder had laten wegen dan het belang van de eiser bij het plaatsen van de door hem gewenste kozijnen. Het beroep werd ongegrond verklaard en de rechtbank zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, maar bepaalde wel dat het college het griffierecht aan de eiser moest vergoeden vanwege het motiveringsgebrek in het bestreden besluit.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




