De zaak in het kort
In deze zaak heeft het Gerechtshof Den Haag zich uitgesproken over een belastinggeschil tussen een individuele belanghebbende en de Belastingdienst. De belanghebbende betwistte de berekening van zijn belastbaar inkomen uit sparen en beleggen voor het jaar 2019. De kern van het geschil betrof de vraag of op zijn staatsobligaties en aandeel in een Vereniging van Eigenaren (VvE) het lagere fictieve rendement van bank- en spaartegoeden toegepast diende te worden, in plaats van het hogere rendement dat door de Belastingdienst was gebruikt. De rechtbank en het gerechtshof oordeelden dat het onderscheid tussen banktegoeden en staatsobligaties gerechtvaardigd is.
Het verloop van het proces en de feiten
De belanghebbende had in zijn aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor het jaar 2019 een belastbaar inkomen uit werk en woning van €16.879 en een inkomen uit sparen en beleggen van €101.695 aangegeven. De Belastingdienst stelde echter het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen vast op €88.342, gebaseerd op het Besluit rechtsherstel box 3. Dit besluit bepaalde dat rendementen uit staatsobligaties en VvE-aandelen als ‘overige bezittingen’ moesten worden behandeld, met een daaraan gekoppeld hoger fictief rendement.
De belanghebbende diende bezwaar in tegen deze aanslag, maar de Belastingdienst verwierp het bezwaar. De belanghebbende ging vervolgens in beroep bij de rechtbank en voerde aan dat het lagere fictieve rendement voor bank- en spaartegoeden van toepassing moest zijn op zijn staatsobligaties en VvE-aandeel. Hij stelde dat het onderscheid tussen deze vermogensbestanddelen en banktegoeden in strijd was met het gelijkheidsbeginsel en dat de belastingheffing op deze wijze niet in lijn was met het arrest van de Hoge Raad van 24 december 2021, dat bepaalde dat het rendement uit sparen en beleggen niet hoger mag zijn dan het werkelijke rendement.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en veroordeelde de Belastingdienst tot een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De belanghebbende was echter niet tevreden met deze uitspraak en ging in hoger beroep bij het Gerechtshof Den Haag.
De beslissing van de rechtbank
Het Gerechtshof Den Haag bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Het hof oordeelde dat de staatsobligaties en het VvE-aandeel terecht onder de categorie ‘overige bezittingen’ vallen, waarvoor een hoger fictief rendement geldt dan voor bank- en spaartegoeden. Het hof wees erop dat banktegoeden en staatsobligaties verschillende juridische en economische kenmerken hebben, waardoor zij niet als gelijke gevallen kunnen worden beschouwd onder de Wet rechtsherstel box 3.
Het hof benadrukte dat de belanghebbende de keuze had tussen belastingheffing gebaseerd op het forfaitaire stelsel of op het werkelijk behaalde rendement. Aangezien het werkelijk behaalde rendement van de belanghebbende hoger was dan het forfaitair berekende rendement, was de aanslag correct vastgesteld volgens de regels van het Besluit rechtsherstel box 3.
Het hof verwierp ook het verzoek van de belanghebbende om toekenning van een rentevergoeding op basis van artikel 41 van het EVRM, verwijzend naar eerdere jurisprudentie van de Hoge Raad. Ten slotte zag het hof geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.
De uitspraak onderstreept het belang van een duidelijke scheiding tussen verschillende soorten vermogensbestanddelen en de toepassing van specifieke fiscale regels voor elk daarvan. Het gerechtshof bevestigde dat het gelijkheidsbeginsel niet geschonden was en dat de belastingheffing in overeenstemming was met de geldende wet- en regelgeving. De belanghebbende kan tegen deze uitspraak nog in cassatie gaan bij de Hoge Raad der Nederlanden.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




