De zaak in het kort
De kern van deze zaak betreft de vaststelling van de WOZ-waarde van een woning in Amsterdam. De eigenaar van de woning, aangeduid als belanghebbende, betwistte de door de gemeente vastgestelde WOZ-waarde van € 1.523.000 voor het jaar 2023. Na een ongegrond verklaard bezwaar door de heffingsambtenaar en eenzelfde oordeel van de rechtbank Amsterdam, ging de belanghebbende in hoger beroep bij het Gerechtshof Amsterdam. De discussie richtte zich op de juistheid van de vergelijkingsmethode die de gemeente had gebruikt om de waarde van de woning vast te stellen, evenals op de procesvoering zelf.
Het verloop van het proces en de feiten
De heffingsambtenaar had de WOZ-waarde van de woning in februari 2023 vastgesteld, en belanghebbende maakte bezwaar tegen deze bepaling. Dit bezwaar werd in november 2023 ongegrond verklaard. De belanghebbende vervolgde met een beroep bij de rechtbank in Amsterdam, waar het beroep wederom ongegrond werd verklaard in juli 2024.
Belanghebbende voerde aan dat de waarde van de woning te hoog was vastgesteld, mede vanwege de matige onderhoudstoestand van de woning en vergelijkingsobjecten die volgens hem niet goed gekozen waren. Tijdens de zitting bij de rechtbank introduceerde belanghebbende nieuwe argumenten, waaronder kritiek op de waarde die aan de kelder en berging van de woning was toegekend.
De rechtbank besloot dat belanghebbende deze nieuwe argumenten te laat had ingebracht en niet voldoende had onderbouwd, waardoor deze buiten beschouwing werden gelaten. Dit leidde tot de beslissing dat het beroep ongegrond was.
In hoger beroep bij het Gerechtshof Amsterdam betoogde belanghebbende dat de rechtbank onterecht de nieuwe argumenten tardief had verklaard en dat de door de gemeente gebruikte vergelijkingsobjecten niet geschikt waren. De heffingsambtenaar verdedigde de waardebepaling door te stellen dat de vergelijkingsobjecten voldoende overeenkomsten vertoonden met de woning en dat de verschillen in onderhoud en kwaliteit voldoende waren meegenomen in de waardebepaling.
De beslissing van de rechtbank
Het Gerechtshof Amsterdam beoordeelde de zaak opnieuw en kwam tot de conclusie dat de heffingsambtenaar de WOZ-waarde van de woning correct had vastgesteld. Het hof achtte de vergelijkingsobjecten, die in dezelfde straat als de woning lagen en vergelijkbare kenmerken hadden, geschikt voor de onderbouwing van de waardebepaling. Verschillen in onderhoud en kwaliteit waren volgens het hof voldoende in de waardering verwerkt, zoals bleek uit de lagere vierkante meterprijs van de woning in vergelijking met de vergelijkingsobjecten.
Het hof verwierp de stelling van belanghebbende dat de rechtbank ten onrechte de nieuwe argumenten als tardief had verklaard. Het hof benadrukte dat de heffingsambtenaar niet verplicht was om een verweerschrift in te dienen en dat belanghebbende voldoende tijd had gehad om op het verweerschrift te reageren voor de zitting bij de rechtbank.
De heffingsambtenaar had in hoger beroep een aanvullende onderbouwing van de WOZ-waarde ingediend, met vergelijkingsobjecten die de rechtbank niet had gebruikt. Het hof oordeelde dat de heffingsambtenaar in elke fase van de procedure de waardebepaling nader kon onderbouwen en dat de nieuwe onderbouwing overtuigend was.
Uiteindelijk concludeerde het hof dat het hoger beroep ongegrond was en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.
De uitspraak onderstreept het belang van tijdige en goed onderbouwde argumenten in procedures over de WOZ-waarde en bevestigt de bevoegdheid van heffingsambtenaren om tijdens het proces hun onderbouwing aan te passen indien nodig. Beide partijen hebben de mogelijkheid om binnen zes weken na de uitspraak beroep in cassatie in te stellen bij de Hoge Raad der Nederlanden.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




