De zaak in het kort
In deze zaak ging het om een hoger beroep van een belastingplichtige, aangeduid als belanghebbende, tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag. De kwestie draaide om de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor het jaar 2019, specifiek gericht op de berekening van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen. De belanghebbende betwistte de berekening van de belastingdienst en stelde dat een lager fictief rendement, zoals toegepast op bank- en spaartegoeden, ook voor staatsobligaties en een aandeel in een Vereniging van Eigenaars (VvE) van toepassing zou moeten zijn. De rechtbank oordeelde eerder dat het bezwaar van de belanghebbende ongegrond was, en het gerechtshof Den Haag bevestigde deze uitspraak.
Het verloop van het proces en de feiten
1. De Inspecteur van de Belastingdienst legde de belanghebbende een aanslag op voor het jaar 2019 gebaseerd op een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 16.879 en sparen en beleggen van € 88.342.
2. Na bezwaar van de belanghebbende tegen deze aanslag, besliste de Inspecteur dat het bezwaar ongegrond was, waarna de belanghebbende naar de rechtbank stapte. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar kende wel een vergoeding voor immateriële schade toe vanwege de overschrijding van de redelijke termijn.
3. De belanghebbende ging in hoger beroep bij het gerechtshof. De zaak werd mondeling behandeld op 4 september 2025.
4. De belanghebbende had voor 2019 aangifte gedaan van een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 101.695. Na aftrek van het heffingvrij vermogen bleef er een grondslag sparen en beleggen over van € 2.054.478. Tot deze grondslag behoorden staatsobligaties en een VvE-aandeel.
5. De belanghebbende betoogde dat het onderscheid tussen banktegoeden en staatsobligaties in strijd was met het gelijkheidsbeginsel, en dat het lagere fictieve rendement voor bank- en spaartegoeden ook op zijn staatsobligaties en VvE-aandeel van toepassing zou moeten zijn.
6. De Inspecteur hield echter vol dat de staatsobligaties en het VvE-aandeel als overige bezittingen in de zin van de Herstelwet moesten worden aangemerkt, waarvoor het lagere fictieve rendement niet van toepassing was.
De beslissing van de rechtbank
1. De rechtbank oordeelde dat de beroepsgronden van de belanghebbende faalden. Volgens de rechtbank was er geen ruimte om een aangepast forfaitair rendement voor specifieke vermogensbestanddelen toe te passen, zoals de belanghebbende wenste.
2. De rechtbank stelde vast dat het werkelijk rendement van de belanghebbende hoger was dan het belastbare inkomen uit sparen en beleggen volgens het forfaitair Herstelwet stelsel. De Inspecteur had de aanslag daarom terecht vastgesteld op basis van het Besluit rechtsherstel box 3.
3. De rechtbank wees het verzoek van de belanghebbende om toekenning van een rentevergoeding af, met verwijzing naar een arrest van de Hoge Raad.
4. De rechtbank kende de belanghebbende wel een vergoeding voor immateriële schade van € 500 toe, vanwege de overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaarfase.
5. In hoger beroep bevestigde het gerechtshof Den Haag de uitspraak van de rechtbank. Het hof oordeelde dat er geen sprake was van gelijke gevallen tussen banktegoeden en staatsobligaties, noch tussen banktegoeden en het VvE-aandeel.
6. Het hof stelde vast dat de aanslag niet op een te hoog bedrag was vastgesteld, aangezien het werkelijk rendement van de belanghebbende hoger was dan het forfaitair berekende rendement.
7. Het hof zag geen aanleiding om een partij te veroordelen in de proceskosten en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.
8. Partijen hebben de mogelijkheid om binnen zes weken na de uitspraak beroep in cassatie in te stellen bij de Hoge Raad der Nederlanden.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




