De zaak in het kort
De Raad van State heeft op 10 december 2025 uitspraak gedaan in een hoger beroep dat was ingesteld door omwonenden tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Maastricht. Het college had een omgevingsvergunning verleend voor de verbouwing van een voormalig kantoorcomplex tot 10 zelfstandige woningen aan de voorzijde van het pand. Oorspronkelijk was een vergunning verleend voor 24 woningen, maar na bezwaren van omwonenden werd de vergunning voor de 14 woningen aan de achterzijde herroepen. De omwonenden vrezen dat de verbouwing hun woon- en leefklimaat zal aantasten en zijn daarom tegen de verlening van de omgevingsvergunning in beroep gegaan.
Het verloop van het proces en de feiten
Op 23 januari 2020 verleende het college van burgemeester en wethouders van Maastricht een omgevingsvergunning aan een partij voor de verbouwing van kantoren tot 24 zelfstandige woningen. Het plan bestond uit 10 woningen in het voorste pand en 14 woningen op het achterterrein. Na bezwaren van omwonenden herzag het college het besluit en verleende het alleen een vergunning voor de 10 woningen in het voorste pand. De oorspronkelijke vergunning voor de 14 woningen werd herroepen. De omwonenden waren het niet eens met deze beslissing en stelden beroep in bij de rechtbank Limburg, die hun beroep ongegrond verklaarde. Hierop gingen de omwonenden in hoger beroep bij de Raad van State.
Tijdens de behandeling van de zaak werd duidelijk dat de aanvraag voor de omgevingsvergunning al in 2019 was ingediend, waardoor de oude regelgeving van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) van toepassing bleef ondanks de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024.
Het college en de vergunninghouder gaven tijdens het proces aan dat het oorspronkelijke bouwplan in functioneel en bouwkundig opzicht onderscheidbaar was, wat de gedeeltelijke herroeping van de vergunning rechtvaardigde. De rechtbank oordeelde dat het college de belangen van de omwonenden voldoende had meegewogen en dat het plan paste binnen de verstedelijkte omgeving van Maastricht.
De beslissing van de rechtbank
De Raad van State oordeelde dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat het college de omgevingsvergunning voor 10 woningen in het voorste pand kon verlenen. Het argument van de omwonenden dat de rechtbank hun zaak had moeten voegen met een andere zaak over een vergunning voor woningen op het achterterrein werd niet gehonoreerd. De rechtbank had de bevoegdheid om zaken al dan niet gevoegd te behandelen.
Verder oordeelde de Raad van State dat het college de vergunning voor de 14 woningen op het achterterrein terecht had herroepen. Dit was gebaseerd op de overweging dat de bouw van deze 14 woningen zou leiden tot een onaanvaardbare verslechtering van het woon- en leefklimaat van de omwonenden. Het college had de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de 10 woningen aan de voorzijde afzonderlijk kunnen beoordelen.
De Raad van State vond dat het college voldoende rekening had gehouden met de belangen van de omwonenden en dat er geen sprake was van een evident privaatrechtelijke belemmering die de verlening van de vergunning in de weg stond. De omwonenden waren geen eigenaar van het perceel en de Vereniging van Eigenaren had geen beroep ingesteld.
Ten slotte stelde de Raad van State dat het ontbreken van draagvlak onder omwonenden geen wettelijke belemmering vormt voor de verlening van een omgevingsvergunning. Het college had de belangen van de omwonenden voldoende betrokken in de besluitvorming.
De conclusie was dat het hoger beroep ongegrond was en de aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd. Het college hoefde geen proceskosten te vergoeden.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




