De zaak in het kort
In deze zaak die speelde voor het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, stond een geschil centraal tussen Stichting Park Boswijk en een huurster van een appartement in een appartementencomplex. De stichting verleende basis- en facultatieve diensten aan de huurders van het complex. De huurster was het niet eens met de in rekening gebrachte servicekosten en de daarbij behorende naheffingen. Zij weigerde een deel van deze kosten te betalen, wat heeft geleid tot een juridische procedure. De kantonrechter had de vorderingen van beide partijen afgewezen, waarna beide partijen in hoger beroep gingen.
Het verloop van het proces en de feiten
De huurster huurt een appartement in een complex waar Stichting Park Boswijk diensten verleent. De stichting had bij de kantonrechter gevorderd dat de huurster de achterstallige servicekosten zou betalen, inclusief een maandelijkse betaling vanaf mei 2020. De huurster had in reconventie gevorderd dat de stichting een eindafrekening zou verstrekken en een verklaring voor recht over haar betalingsverplichtingen over voorgaande jaren.
In hoger beroep heeft de stichting haar eisen uitgebreid, waarbij ze onder meer vroeg om verklaringen voor recht over de basis van de dienstverlening en de bevoegdheden van de bewonersvergadering. De huurster stelde dat de basisservicekosten beperkt waren tot de kosten genoemd in bijlage F bij de huurovereenkomst. De kantonrechter had eerder geoordeeld dat de kosten die aan de huurster in rekening mochten worden gebracht, beperkt waren tot wat in bijlage F stond. Het hof moest nu beoordelen welke afspraken er over de basisservicekosten waren gemaakt.
De huurovereenkomst en het huishoudelijk reglement vormen de basis voor de afspraken over de servicekosten. Het hof oordeelde dat zowel bijlage F als het huishoudelijk reglement betrokken moesten worden bij de uitleg van wat onder basisservice moest worden begrepen. Hierdoor kon de stichting een bredere interpretatie van de kosten hanteren dan alleen wat in bijlage F was vermeld.
De beslissing van de rechtbank.
Het hof heeft geoordeeld dat de huurster een deel van de gevorderde betalingsachterstand moest voldoen, waardoor het vonnis van de kantonrechter gedeeltelijk werd vernietigd. De verklaringen voor recht die door de stichting waren gevraagd, werden toegekend. De huurster hoefde echter geen zorgkosten te betalen, omdat er geen rechtsgeldig besluit door de bewonersvergadering was genomen om de zorgkosten onder de basisservice te laten vallen.
Het hof besloot ook dat de naheffingen gedeeltelijk terecht waren, maar dat de huurster over 2019 geen extra betaling verschuldigd was vanwege onterecht in rekening gebrachte zorgkosten. Over 2020 was de huurster slechts een klein bedrag verschuldigd, omdat ook daar zorgkosten ten onrechte waren meegerekend.
Daarnaast kende het hof de wettelijke rente toe over de bedragen die de huurster nog verschuldigd was. De stichting kreeg ook een deel van de buitengerechtelijke kosten toegewezen. De vorderingen van de huurster in incidenteel hoger beroep werden afgewezen, aangezien het huurrecht niet van toepassing was op de overeenkomst tussen de partijen.
Uiteindelijk werd de stichting veroordeeld tot betaling van de proceskosten in het principaal hoger beroep. De huurster werd veroordeeld tot de proceskosten in het incidenteel hoger beroep. Beide partijen hebben de mogelijkheid om de beslissing van het hof voor te leggen aan de Hoge Raad, maar de veroordelingen kunnen direct ten uitvoer worden gelegd.
De uitspraak van het hof biedt duidelijkheid over de interpretatie van de servicekosten en de rol van de bewonersvergadering en kan als leidraad dienen voor toekomstige discussies tussen de partijen.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




