De zaak in het kort
Op 10 december 2025 heeft de Raad van State een uitspraak gedaan in een hoger beroep waarbij bewoners van Maastricht bezwaar maakten tegen een omgevingsvergunning verleend door het college van burgemeester en wethouders van Maastricht. Het geschil betrof de verbouwing van een kantoorcomplex aan de [locatie] in Maastricht tot woningen. Aanvankelijk was een vergunning verleend voor 24 woningen, maar na bezwaar van omwonenden is deze beperkt tot 10 woningen in het voorste pand. Appellanten waren van mening dat hun woon- en leefklimaat hierdoor onaanvaardbaar zou worden aangetast.
Het verloop van het proces en de feiten
Op 23 januari 2020 verleende het college een omgevingsvergunning aan [partij] voor de transformatie van kantoren naar 24 woningen. Na bezwaren van omwonenden is de vergunning op 6 oktober 2020 gedeeltelijk herroepen, waarbij de vergunning voor 14 woningen op het achterterrein werd ingetrokken, maar die voor 10 woningen in het voorpand bleef gehandhaafd. De rechtbank Limburg verklaarde op 19 oktober 2022 de beroepen die [appellant] en anderen hadden ingesteld ongegrond. Hiertegen werd hoger beroep aangetekend.
Tijdens de behandeling op 23 september 2025 werden diverse juridische aspecten besproken, waaronder de toepassing van de Wabo en de Omgevingswet. De aanvraag voor de omgevingsvergunning was ingediend vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet, waardoor de Wabo van toepassing bleef. De rechtbank had geoordeeld dat het college terecht een vergunning voor alleen de 10 woningen in het voorste pand had verleend, omdat het oorspronkelijke plan uit functioneel en bouwkundig te onderscheiden delen bestond.
De beslissing van de rechtbank
De Raad van State oordeelde dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat de omgevingsvergunning voor 10 woningen niet in strijd was met een goede ruimtelijke ordening. De argumenten van [appellant] en anderen omtrent de ontvankelijkheid, de procesorde, en het ontbreken van draagvlak of een privaatrechtelijke belemmering werden verworpen. De rechtbank had geconcludeerd dat de omgevingsvergunning paste binnen het verstedelijkte gebied zoals aangeduid in het beleid van het college, en dat de belangen van de omwonenden voldoende waren meegewogen.
De Raad van State vond geen grond voor de stelling dat de ruimtelijke gevolgen van het bouwplan waren onderschat, noch dat een integrale belangenafweging was uitgebleven. Het college had naar haar beleidsruimte gehandeld en de belangen van de omwonenden afgewogen tegen de doelen van de omgevingsvergunning. De rechtbank had terecht geoordeeld dat het woon- en leefklimaat niet onaanvaardbaar werd aangetast door de plannen voor het voormalige kantoorgebouw.
In de beslissing zijn ook overwegingen opgenomen over de toepassing van het overgangsrecht van de Omgevingswet en de bevoegdheden van het college bij het afwijken van het bestemmingsplan. Tot slot bevestigde de Raad van State de uitspraak van de rechtbank en hoefde het college geen proceskosten te vergoeden.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




