De zaak in het kort
In deze zaak bij de rechtbank Amsterdam is een wrakingsverzoek door de bewindvoerder van een verzoeker ingediend tegen kantonrechter mr. B.T. Beuving. De wrakingskamer heeft het verzoek als niet-ontvankelijk verklaard op grond van een anti-misbruikbepaling. Het verzoek was gebaseerd op vermeende partijdigheid van de rechter die de zaak in behandeling zou hebben genomen zonder de juiste procedurele stappen te volgen, en op de stelling dat de rechter documenten van de Vereniging van Eigenaren (VvE) zou hebben achtergehouden. Het verzoek werd ongegrond verklaard omdat er geen voldoende onderbouwde feiten of omstandigheden waren die de rechterlijke onpartijdigheid in twijfel konden trekken.
Het verloop van het proces en de feiten
Op 18 maart 2025 werd een wrakingsverzoek ingediend door de gemachtigde van de bewindvoerder van de verzoeker. Dit verzoek werd op 19 maart 2025 doorgezonden naar de wrakingskamer van de rechtbank Amsterdam. Het verzoek had betrekking op kantonrechter mr. B.T. Beuving en betrof een zaak waarbij een eerdere wraking in een andere zaak was toegewezen.
De achtergrond van het verzoek ging terug naar een eerdere beslissing op 5 februari 2025, waarbij een wrakingsverzoek tegen een andere kantonrechter was toegewezen. In een brief van 20 februari 2025 werd door de griffie aan de gemachtigde van de verzoeker meegedeeld dat de zaak door een andere kantonrechter zou worden behandeld en dat een nieuwe datum voor de mondelinge behandeling zou worden gepland.
Op 17 maart 2025 werd een correctie op deze brief gestuurd, waarin werd verduidelijkt dat de zaak bij mr. B.T. Beuving in behandeling was en dat voortzetting van de procedure vereiste dat een van de partijen de ander via een exploot zou oproepen. De gemachtigde van de verzoeker werd geïnformeerd dat de eerdere brief als niet verzonden beschouwd kon worden.
Het wrakingsverzoek claimde dat de rechter niet onpartijdig was omdat hij een zaak in behandeling had genomen die nog niet officieel was aangebracht en dat de rechter documenten van de VvE achterhield, hetgeen de schijn van partijdigheid wekte.
De beslissing van de rechtbank
De wrakingskamer beoordeelde het verzoek op basis van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, dat eist dat er sprake moet zijn van omstandigheden die de onpartijdigheid van een rechter in twijfel trekken. Het uitgangspunt is dat een rechter als onpartijdig wordt beschouwd tenzij het tegendeel bewezen wordt.
De wrakingskamer oordeelde dat de mededeling in de brief van 20 februari 2025, waarin gesteld werd dat de mondelinge behandeling opnieuw gepland moest worden, inmiddels was gecorrigeerd in de brief van 17 maart 2025. Daarin werd verduidelijkt dat de zaak bij de rechter in behandeling was, zodra de verzoeker op de juiste manier was opgeroepen. De claim dat de rechter documenten van de VvE had achtergehouden werd niet nader onderbouwd.
Omdat het verzoek geen onderbouwing bevatte van feiten en omstandigheden die de onpartijdigheid van de rechter konden schaden, werd het verzoek niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank besloot dat een mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek niet nodig was.
De beslissing van de wrakingskamer werd gegeven door de rechters P.B. Martens, N.C.H. Blankevoort en I.M. Bilderbeek en uitgesproken ter openbare terechtzitting. Tegen deze beslissing is geen rechtsmiddel mogelijk.
Deze uitspraak benadrukt het belang van een onderbouwde en feitelijke basis bij een wrakingsverzoek en de bescherming tegen misbruik van het wrakingsinstrument. Het afwijzen van het verzoek als niet-ontvankelijk onderstreept het principe dat een rechter wordt verondersteld onpartijdig te zijn, tenzij het tegendeel wordt aangetoond met voldoende bewijs.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.



