De zaak in het kort
In deze zaak heeft de rechtbank Den Haag een oordeel moeten geven over de vraag of het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk veroordeeld moet worden tot het betalen van de proceskosten aan een verzoekster. De aanleiding hiervoor is het te laat beslissen op een verzoek op basis van de Wet open overheid (Woo) door het college. Verzoekster had een Woo-verzoek ingediend voor informatie gerelateerd aan VVE-verklaringen (voor- en vroegschoolse educatie), maar het college had niet binnen de wettelijke termijn op dit verzoek gereageerd. Uiteindelijk werd het verzoek alsnog behandeld en besloot de verzoekster haar beroep in te trekken, met daarbij een verzoek om proceskostenvergoeding.
Het verloop van het proces en de feiten
Op 3 oktober 2024 diende verzoekster een Woo-verzoek in bij het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk. Het verzoek betrof alle documenten over VVE-verklaringen vanaf de vaststelling van het meest recente beleidsstuk. Omdat het college niet binnen de gestelde termijn op het verzoek had gereageerd, stelde verzoekster beroep in vanwege het uitblijven van een beslissing. Pas op 21 januari 2025, na het verstrijken van de beslistermijn, nam het college een besluit en verstrekte de opgevraagde documenten op 10 februari 2025.
Verzoekster trok haar beroep in, maar diende een verzoek in bij de rechtbank om het college in de proceskosten te veroordelen. Ze stelde dat het college de beslistermijn niet had verlengd en pas na die termijn om nadere specificatie van het verzoek had gevraagd. Het college vond dat het verzoek om proceskostenvergoeding niet gehonoreerd moest worden, omdat verzoekster niet meewerkte aan de precisering van haar Woo-verzoek en dat zij geen belang had bij het tijdig indienen van haar beroep.
Tijdens de zitting op 7 oktober 2025 verschenen zowel de gemachtigde van verzoekster als de gemachtigden van het college. Het college had gedurende het proces de verzoekster op de hoogte gehouden van de voortgang van de behandeling en stelde dat zij steeds goed geïnformeerd was.
De beslissing van de rechtbank
De rechtbank oordeelde dat het verzoek om een proceskostenvergoeding moest worden toegewezen. De rechtbank overwoog dat het college te laat had gereageerd op het Woo-verzoek en dat verzoekster terecht beroep had ingesteld. Het college was uiteindelijk tegemoetgekomen aan het beroep door alsnog een beslissing te nemen. De rechtbank vond dat verzoekster voldoende had meegewerkt aan de procedure en dat het college verantwoordelijk was voor de vertraging door het verkeerd adresseren van de verzoeken om precisering.
Volgens de rechtbank was het Woo-verzoek van verzoekster duidelijk en als zodanig herkenbaar. Het college had bovendien geen overeenstemming gezocht met verzoekster over een nieuwe termijn, ondanks dat de oorspronkelijke termijn al verstreken was. De rechtbank vond het niet aannemelijk dat verzoekster het beroep uitsluitend had ingesteld om dwangsomgelden te innen.
De rechtbank veroordeelde het college tot het betalen van € 907,- aan proceskosten aan verzoekster, berekend op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Daarnaast moest het college het door verzoekster betaalde griffierecht van € 187,- vergoeden.
De uitspraak geeft inzicht in de verplichtingen van bestuursorganen bij het tijdig afhandelen van Woo-verzoeken en de rechten van burgers wanneer deze verplichtingen niet worden nagekomen. De rechtbank benadrukte dat het aan het bestuursorgaan is om zorgvuldig en tijdig te handelen en dat nalatigheid in dit opzicht kan leiden tot een veroordeling in de proceskosten.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




