De zaak in het kort
In een geschil tussen buren, de Vereniging van Eigenaren (VVE) van een gebouw aan de [adres 1] in Rotterdam en de eigenaren van de aangrenzende percelen, draait het om het gebruik en onderhoud van een achterpad. Dit pad is meer dan een eeuw geleden onderhevig gemaakt aan een erfdienstbaarheid, die de doorgang over het pad naar de laan aan de [naam locatie] mogelijk maakt. De VVE eist dat eigenaren van de naastgelegen percelen, [persoon A] c.s. en DBA Beheer B.V., meewerken aan en bijdragen aan het onderhoud van het pad. [persoon A] c.s. en DBA betwisten dit en stellen dat de erfdienstbaarheid door non-usus (niet-gebruik) is vervallen omdat het pad meer dan 30 jaar versperd zou zijn geweest door een garage. De rechtbank moet beslissen of de erfdienstbaarheid nog geldt en of de gedaagden moeten bijdragen aan het onderhoud.
Het verloop van het proces en de feiten
De procedure omvat drie zaken die door de rechtbank zijn gevoegd. De VVE heeft de zaak aangespannen tegen [persoon A] c.s. en DBA met verschillende zaaknummers, en er is een derde zaak waarin [persoon A] c.s. en DBA op hun beurt tegen de VVE procederen. In de loop van het proces zijn er diverse stukken overgelegd, en is een mondelinge behandeling gehouden. Na een mislukt mediationtraject heeft de rechtbank vonnis bepaald.
De feiten hebben betrekking op de eigendomssituaties en de erfdienstbaarheid. In 2015 is het pand van de VVE gesplitst in appartementen, en de eigenaren hebben toegang tot hun bergingen via het achterpad. In de splitsingsakte en andere notariële aktes wordt de erfdienstbaarheid beschreven die het gebruik van het pad reguleert. Het begrip ‘non-usus’ uit het oude Burgerlijk Wetboek, dat stelt dat een erfdienstbaarheid kan vervallen door 30 jaar niet-gebruik, is een centraal punt van discussie. De ligging van de percelen en de aanwezigheid van de garage worden gedetailleerd besproken, waarbij wordt vastgesteld dat er verklaringen zijn die suggereren dat het pad, ondanks de garage, toch gebruikt kon worden.
De beslissing van de rechtbank
De rechtbank concludeert dat de erfdienstbaarheid niet door non-usus is vervallen en nog steeds van kracht is. Dit besluit is gebaseerd op verklaringen en stukken die suggereren dat het pad, hoewel gedeeltelijk versperd door een garage, nog steeds toegankelijk was. De rechtbank oordeelt dat [persoon A] c.s. en DBA moeten meewerken aan het onderhoud van het pad, zoals het verharden met tegels of grind, het aanbrengen van verlichting en het aanleggen van een schuine opgang. Deze werkzaamheden worden als noodzakelijk en redelijk beschouwd om de erfdienstbaarheid deugdelijk te kunnen uitoefenen.
Daarnaast oordeelt de rechtbank dat de kosten voor het onderhoud eerlijk verdeeld moeten worden tussen de VVE, [persoon A] c.s., en DBA, waarbij elk voor een derde deel van de kosten moet bijdragen. De rechtbank wijst de vorderingen van [persoon A] c.s. en DBA om de erfdienstbaarheid nietig te verklaren vanwege non-usus af, net als hun verzoek om de VVE-leden te verbieden het pad te gebruiken.
In alle zaken worden de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard. [persoon A] c.s. en DBA worden veroordeeld in de proceskosten van de VVE, terwijl de VVE de proceskosten van [persoon C], die ten onrechte was betrokken in een van de procedures, moet betalen. De rechtbank wijst alle vorderingen af die betrekking hebben op vermeende verzwaring van de erfdienstbaarheid door de splitsing van het woonhuis in appartementen, aangezien hieraan geen rechtsgevolgen zijn verbonden.
Het vonnis bevestigt dat de gevestigde erfdienstbaarheid van het uitpad naar de laan die uitkomt op de [naam locatie] bestaat en dat de betrokken partijen moeten samenwerken om het pad te onderhouden in overeenstemming met de erfdienstbaarheidsovereenkomst.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




