De zaak in het kort
De rechtbank Midden-Nederland heeft op 21 november 2025 een beschikking gegeven in een zaak tussen een groep van eigenaren van appartementen (hierna: verzoekers) en de Stichting Ymere. De verzoekers, die een minderheid van de appartementen in een complex bezitten, wilden de huidige beheerder van hun appartementencomplex, die onder de paraplu van Ymere opereert, vervangen door een andere beheerder. Het verzoek hiertoe werd echter afgewezen door de kantonrechter wegens procedurele en inhoudelijke gronden.
Het verloop van het proces en de feiten
De verzoekers zijn eigenaren van vijf van de twintig appartementen in een complex, terwijl Ymere de overige vijftien bezit en verhuurt. De verzoekers waren niet tevreden met de huidige beheerder, verbonden aan Ymere, en stelden voor dat een nieuw bedrijf, [onderneming 1], het beheer zou overnemen vanaf 1 januari 2026. Dit voorstel werd besproken tijdens een buitengewone vergadering van de Vereniging van Eigenaren (VvE) op 10 juli 2025. Tijdens deze vergadering stagneerden de stemmen, wat volgens het Modelreglement 1992 betekende dat het voorstel werd verworpen.
Vanwege de impasse vroegen de verzoekers de kantonrechter om een vervangend besluit te nemen op grond van artikel 5:130 lid 2 BW, wat zou betekenen dat de rechter het verworpen besluit van de vergadering zou vervangen. Zij wensten ook dat de rechter Ymere zou verplichten om het nieuwe besluit uit te voeren.
Tijdens de procedure bleek echter dat de verzoekers niet ontvankelijk waren in hun verzoeken onder artikel 5:130 BW en artikel 5:121 BW, omdat de VvE als formele tegenpartij had moeten worden aangemerkt, en niet Ymere. Hoewel de VvE als belanghebbende was opgeroepen, was dit niet voldoende om een geldige rechtsgrond voor de verzoeken te vormen.
De beslissing van de rechtbank
De kantonrechter wees de verzoeken van de verzoekers af op zowel procedurele als inhoudelijke gronden. Procedureel waren de verzoeken niet ontvankelijk omdat de VvE de formele tegenpartij had moeten zijn in plaats van Ymere. Daarnaast bleek uit de jurisprudentie dat de gevraagde vernietiging van het besluit op grond van artikel 5:130 BW zou stranden op het gebrek aan belang. Verder oordeelde de kantonrechter dat de hoge drempel voor een vervangende machtiging op grond van artikel 5:121 BW niet werd gehaald, omdat Ymere redelijke gronden had om de wisseling van beheerder te weigeren.
De argumenten van Ymere, zoals het gebrek aan marktonderzoek en twijfels over de ervaring en het gebruik van software door [onderneming 1], werden door de verzoekers onvoldoende weerlegd. Hoewel de verzoekers verschillende klachten hadden over de huidige beheerpraktijken van Ymere, waren deze niet voldoende onderbouwd en overtuigend om een beheerderswissel te rechtvaardigen.
De kantonrechter besloot dat de proceskosten voor rekening van de VvE zouden komen, zoals bepaald in de afspraken binnen de VvE. De kosten werden begroot op € 812,00, inclusief griffierecht en advocaatkosten van Ymere. De beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat de beslissing onmiddellijk ten uitvoer kan worden gelegd, ook als er eventueel hoger beroep zou worden ingesteld.
De zaak onderstreept het belang van een zorgvuldig en correct proces bij het indienen van verzoeken bij de rechtbank, vooral in het complexe speelveld van VvE-regels en het burgerlijk procesrecht. Het toont ook aan dat, zelfs wanneer er ontevredenheid bestaat over een beheerder, de juridische drempels voor een gedwongen wissel hoog zijn, vooral als de andere partij redelijke argumenten kan aandragen.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




