De zaak in het kort
De kwestie betreft een geschil tussen een Vereniging van Eigenaren (VvE) en een van haar leden, [gedaagde], over de naleving van regels uit het modelreglement en het huishoudelijk reglement. De VvE heeft boetes opgelegd aan [gedaagde] voor het overtreden van deze regels, met name voor het plaatsen van een hondenkar en een cameradeurbel in gemeenschappelijke ruimtes. De kantonrechter heeft echter de gevorderde boetes afgewezen omdat de waarschuwingsbrief onvoldoende duidelijkheid gaf over welke overtredingen beboet zouden worden en wat de hoogte van de boetes zou zijn.
Het verloop van het proces en de feiten
De procedure begon met een dagvaarding op 8 april 2025, gevolgd door een mondeling antwoord en schriftelijk verweer van [gedaagde]. Er vond een mondelinge behandeling plaats op 9 september 2025. De VvE beheert een appartementsgebouw en heeft in 2015 het modelreglement van 2006 van toepassing verklaard. [gedaagde] is eigenaar van een appartementsrecht in dit gebouw en is van rechtswege lid van de VvE.
In april 2024 heeft de VvE [gedaagde] per brief gesommeerd om de gemeenschappelijke ruimtes vrij te houden van persoonlijke bezittingen zoals zijn hondenkar en scootmobiel, en om zijn cameradeurbel te verwijderen. De VvE dreigde met juridische maatregelen, waaronder boetes, als deze overtredingen niet zouden worden beëindigd. Vervolgens heeft de VvE boetes opgelegd voor het blijven plaatsen van de hondenkar en het niet verwijderen van de cameradeurbel, met een totale opeisbare boete van € 1.610,00.
De beslissing van de rechtbank
De rechtbank moest oordelen over de verschillende vorderingen van de VvE, waaronder schadevergoeding voor een pilaar in de gemeenschappelijke hal, en de betaling van opgelegde boetes. De VvE kon niet voldoende bewijzen dat [gedaagde] de schade aan de pilaar had veroorzaakt. Ook kon de VvE niet aantonen dat de opgelegde boetes correct waren opgelegd, omdat de waarschuwingsbrief van 24 april 2024 onvoldoende specificiteit bood over de overtredingen en boetes.
De rechtbank heeft [gedaagde] echter wel veroordeeld om binnen veertien dagen na betekening van het vonnis de hondenkar, de kast en de cameradeurbel te verwijderen en verwijderd te houden, met een dwangsom van € 50,00 per overtreding en € 5,00 per dag bij voortduring, tot een maximum van € 2.500,00.
Daarnaast moest [gedaagde] respectvol zijn naar de bestuursleden van de VvE en ophouden met het sturen van beledigende en dreigende e-mails. Hoewel de VvE voldoende bewijs had voor eerdere onheuse bejegening van bestuursleden, is deze vordering afgewezen omdat het gedrag van [gedaagde] na een waarschuwing in juli 2024 is gestopt.
De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij elke partij de eigen kosten moest dragen. De rechtbank wees erop dat ondanks dat de vorderingen van de VvE grotendeels werden afgewezen, het gedrag van [gedaagde] wel aanleiding gaf voor de procedure. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.



