**
De zaak in het kort
Het Gerechtshof Den Haag heeft uitspraak gedaan in een hoger beroep waarin een bedrijf, [X] B.V., bezwaar maakte tegen de door de Heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland vastgestelde WOZ-waarden van vier appartementen. Het bedrijf vond dat de vastgestelde waarden te hoog waren en betwistte daarnaast de aanslagen watersysteemheffing. De rechtbank had eerder het beroep ongegrond verklaard, en [X] B.V. ging in hoger beroep. Het hof oordeelde echter dat de Heffingsambtenaar voldoende aannemelijk had gemaakt dat de WOZ-waarden correct waren vastgesteld en dat de aanslagen watersysteemheffing terecht waren opgelegd. Het hof bevestigde de uitspraak van de rechtbank.
Het verloop van het proces en de feiten
De Heffingsambtenaar had de WOZ-waarden voor vier appartementen van [X] B.V. vastgesteld op 1 januari 2021 voor het kalenderjaar 2022. Deze waarden varieerden van € 402.000 tot € 416.000. [X] B.V. maakte hiertegen bezwaar, maar de Heffingsambtenaar verklaarde het bezwaar ongegrond en handhaafde de waarden. Vervolgens stelde [X] B.V. beroep in bij de rechtbank, die ook dit beroep ongegrond verklaarde.
In hoger beroep voerde [X] B.V. aan dat de door de Heffingsambtenaar gehanteerde vergelijkingsobjecten niet geschikt waren en dat de waarde van de appartementen met 20% moest worden verlaagd. Bovendien betoogde [X] B.V. dat de Heffingsambtenaar niet alle relevante stukken had overgelegd, zoals iWOZ-kaarten en kadastrale gegevens, en dat er recht was op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof op 16 juli 2025, stelde [X] B.V. dat de Heffingsambtenaar geen volledige openheid van zaken had gegeven en dat de aanslagen watersysteemheffing onterecht waren opgelegd. Het hof moest onder andere beoordelen of de vergelijkingsobjecten goed vergelijkbaar waren en of de Heffingsambtenaar voldoende rekening had gehouden met verschillen tussen de objecten.
De beslissing van de rechtbank
Het hof oordeelde dat de Heffingsambtenaar had voldaan aan de bewijslast dat de WOZ-waarden van de appartementen correct waren vastgesteld. De vergelijkingsobjecten waren goed vergelijkbaar en de verschillen waren voldoende in aanmerking genomen. De toegepaste methode van systematische vergelijking was toereikend en de matrixen ondersteunden de vastgestelde waarden.
Het hof vond dat de Heffingsambtenaar niet verplicht was om iWOZ-gegevens te overleggen omdat deze niet essentieel waren voor de waardebepaling; bovendien was [X] B.V. niet geschaad door het ontbreken van deze gegevens, aangezien de kenmerken van de vergelijkingsobjecten niet waren betwist.
Ten aanzien van de aanslagen watersysteemheffing vond het hof dat [X] B.V. verzuimd had tijdig relevante gronden aan te voeren, waardoor deze gronden niet meer konden worden behandeld. Het hof oordeelde dat er geen reden was om aan te nemen dat de aanslagen onjuist waren.
Wat betreft de immateriële schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn, oordeelde het hof dat het financiële belang van de procedure minder dan € 1.000 bedroeg. Op grond van recente jurisprudentie van de Hoge Raad was er daarom geen recht op schadevergoeding.
Uiteindelijk bevestigde het Gerechtshof Den Haag de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




