De zaak in het kort
In deze rechtszaak heeft de Vereniging van Eigenaars (VvE) een vordering ingesteld tegen twee gedaagden, [gedaagde 1] en [gedaagde 2], om achterstallige VvE-bijdragen te betalen. De VvE eist betaling van een bedrag van €404,12, dat bestaat uit achterstallige bijdragen tot en met augustus 2025, kosten van kadastraal onderzoek, verschuldigde rente en buitengerechtelijke incassokosten. Daarnaast eist de VvE de betaling van een maandelijkse bijdrage van €174,17 vanaf september 2025, evenals de wettelijke rente over de achterstallige bedragen. De rechtbank heeft de eis van de VvE gedeeltelijk toegewezen.
Het verloop van het proces en de feiten
De procedure begon met de dagvaarding van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] op 3 juni 2025, waarin de VvE betaling eiste voor achterstallige bijdragen en bijkomende kosten. [Gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben op de dagvaarding gereageerd met een mondeling antwoord en bijlagen. Vervolgens heeft de VvE haar eis vermeerderd en aanvullende stukken ingediend. [Gedaagde 1] en [gedaagde 2] kregen de kans om te reageren op de repliek van de VvE, maar hebben daarvan geen gebruik gemaakt.
De zaak draait om de vraag of [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de gevorderde bedragen aan de VvE verschuldigd zijn. De VvE heeft onderbouwd dat er een achterstand van €348,34 aan VvE-bijdragen is, wat niet door de gedaagden is weersproken. Daarnaast maakte de VvE kosten voor kadastraal onderzoek en incasso, die eveneens niet worden betwist.
De beslissing van de rechtbank
De rechtbank heeft de vordering van de VvE grotendeels toegewezen. Het totale bedrag van €404,12 wordt toegewezen, bestaande uit de VvE-bijdrage van €348,34, kadastrale kosten van €6,05, verschuldigde rente van €1,33 en incassokosten van €48,40. De rechtbank kent ook de wettelijke rente toe over de hoofdsom vanaf 4 augustus 2025.
Wat betreft de maandelijkse VvE-bijdrage van €174,17, heeft de rechtbank geoordeeld dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] deze moeten betalen tot het einde van het boekjaar 2025, zolang zij eigenaar zijn van de woning. De rechtbank heeft echter de eis van de VvE om de toekomstige bijdragen te betalen afgewezen, omdat de hoogte van de bijdrage voor het nieuwe jaar nog niet bekend is.
De proceskosten worden ten laste gelegd van [gedaagde 1] en [gedaagde 2], omdat zij in het ongelijk zijn gesteld. Deze kosten bedragen in totaal €632,29, inclusief dagvaardingskosten, griffierecht, salaris voor de gemachtigde en nakosten. De rechtbank heeft de gedaagden hoofdelijk veroordeeld, wat betekent dat als één van hen de volledige betaling doet, de ander is bevrijd van verdere betaling.
Tot slot heeft de rechtbank bepaald dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad is, wat inhoudt dat het onmiddellijk uitgevoerd kan worden, zelfs als er hoger beroep wordt ingesteld. Dit vonnis is uitgesproken door de kantonrechter mr. S.H. Poiesz.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




