De zaak in het kort
In de zaak die werd behandeld door de Rechtbank Midden-Nederland, kantonrechter locatie Almere, had de eiser een kort geding aangespannen tegen twee partijen: een individuele gedaagde (gedaagde sub 1) en Stichting De Alliantie. De eiser eiste toegang tot een door hem gehuurde parkeerplek in een parkeergarage, naast diverse schadevergoedingen voor de belemmeringen die hij zou hebben ondervonden. De rechter oordeelde echter dat de eiser niet-ontvankelijk was in zijn vorderingen tegen de individuele gedaagde en wees de vorderingen tegen de Alliantie af.
Het verloop van het proces en de feiten
Het proces begon met de dagvaarding van 17 en 18 november 2025, waarop de gedaagde partijen, zowel de individuele gedaagde als de Alliantie, hun antwoorden met producties indienden. Tijdens de mondelinge behandeling op 17 december 2025 waren alle partijen vertegenwoordigd, inclusief hun juridische vertegenwoordigers. De eiser, procederend in persoon, eiste een reeks maatregelen, waaronder directe toegang tot de parkeerplek, de vernietiging van een ontzeggingsbesluit van de Vereniging van Eigenaren (VvE), en het intrekken van de huurovereenkomst opzegging door de Alliantie.
De eiser stelde dat het bestuur van de VvE op 30 oktober 2025 ten onrechte had besloten hem de toegang tot de parkeerplaats te ontzeggen, waarbij hij verwees naar verschillende overtredingen van het reglement die hij zou hebben begaan. Hoewel de VvE later haar besluit om de toegang te ontzeggen terugdraaide, bleef de eiser vasthouden aan zijn rechten en eiste hij compensatie voor de geleden schade.
De Alliantie had op basis van het besluit van de VvE de huurovereenkomst met de eiser per direct beëindigd, maar het bleek dat de opzegging niet voldeed aan de vereiste opzegtermijn. Bovendien had de Alliantie zonder verder onderzoek het besluit van de VvE gevolgd, wat volgens de rechter te voortvarend was.
De beslissing van de rechtbank
De rechtbank verklaarde de eiser niet-ontvankelijk in zijn vorderingen tegen de individuele gedaagde omdat deze geen partij was in de overeenkomst tussen de eiser en de Alliantie en slechts in opdracht van de VvE administratieve handelingen verrichtte. Ten aanzien van de Alliantie werden de vorderingen van de eiser afgewezen. De rechter oordeelde dat er geen spoedeisend belang was voor de gevraagde voorzieningen, vooral omdat de VvE haar besluit om de toegang te ontzeggen had teruggedraaid en de Alliantie had aangegeven de huurovereenkomst te continueren.
De gevraagde schadevergoedingen werden ook afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing en gebrek aan spoedeisend belang. Hoewel de eiser een voorschot van €2.500 en andere bedragen voor verschillende vormen van schadevergoeding eiste, vond de rechter dat deze claims niet voldoende waren onderbouwd.
Wat betreft de proceskosten werd de eiser veroordeeld in de kosten van de individuele gedaagde, terwijl de kosten tussen de eiser en de Alliantie werden gecompenseerd, met beide partijen die hun eigen kosten moesten dragen. Dit ondanks dat de vorderingen van de eiser werden afgewezen, omdat de Alliantie ook tekortgeschoten was in haar handelingen jegens de eiser.
De uitspraak benadrukt het belang van het zorgvuldig volgen van procedurele voorschriften door zowel besturen van VvE’s als verhuurders zoals de Alliantie, vooral als het gaat om het ontzeggen van toegang of het beëindigen van huurovereenkomsten. Eveneens benadrukt de zaak de noodzaak voor eisers om hun claims met voldoende bewijs en spoedeisend belang te onderbouwen om succesvol te zijn in kort geding procedures.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




