De zaak in het kort
In deze zaak oordeelde het Gerechtshof Amsterdam over een geschil tussen de eigenaren van appartementsrechten in verband met vochtschade aan een betonconstructie. De kwestie draaide om de vraag of de kosten voor het herstel van deze schade door een van de eigenaren, aangeduid als [geïntimeerde], op de andere eigenaar, aangeduid als [appellant], konden worden verhaald. Centraal stond de uitleg van twee vaststellingsovereenkomsten (VSO I en VSO II) die de rechten en verplichtingen tussen de partijen reguleerden. In VSO I had [geïntimeerde] de verantwoordelijkheid voor het onderhoud en herstel van de vochtproblematiek op zich genomen, inclusief de daaruit voortvloeiende schade. De vraag was of deze verplichtingen door VSO II waren vervangen of opgeheven.
Het verloop van het proces en de feiten
Het geschil begon toen [appellant] en [geïntimeerde] het niet eens konden worden over wie verantwoordelijk was voor de herstelkosten van de betonschade. De zaak kwam in hoger beroep terecht bij het Gerechtshof Amsterdam nadat een eerdere beschikking deze verantwoordelijkheden niet duidelijk had vastgesteld.
In de tussenbeschikking van 20 september 2022 constateerde het hof dat de kosten voor betonherstel niet konden worden afgerekend voordat de verdeelsleutel voor deze kosten was vastgesteld. Deze verdeelsleutel hing af van de uitkomsten van een deskundigenonderzoek dat door de rechtbank was bevolen en van de uitleg van de vaststellingsovereenkomsten VSO I en VSO II. Het hof zag geen aanleiding om van dit oordeel terug te komen na het deskundigenonderzoek.
De deskundige concludeerde dat de vochtschade aan de betonconstructie primair was veroorzaakt door ontoereikend onderhoud aan de waterdichtheid van de tribunes, de goot en de gevel van het gebouw. Het rapport wees ook op het ontbreken van monitoring van de betonconstructie, wat volgens het hof door [geïntimeerde] had moeten gebeuren.
[appellant] stelde dat de bevindingen van de deskundige bevestigden dat de herstelkosten voor rekening van [geïntimeerde] moesten komen, aangezien [geïntimeerde] de verantwoordelijkheid voor de vochtproblematiek had overgenomen via VSO I. [geïntimeerde] betwistte de deskundige bevindingen en stelde dat deze onjuist waren en dat zij niet aansprakelijk was voor de betonschade.
De beslissing van de rechtbank
Het hof oordeelde dat [geïntimeerde] verantwoordelijk was voor de kosten van het betonherstel. Het stelde vast dat [geïntimeerde] in VSO I had afgesproken dat zij [appellant] zou vrijwaren voor kosten en schade ten gevolge van de vochtproblematiek die bestond op het moment van het sluiten van de overeenkomst. Het hof wees de uitleg van [geïntimeerde] dat VSO II deze verplichtingen had opgeheven af, aangezien er onvoldoende bewijs was dat partijen hadden onderhandeld over het laten vervallen van de vrijwaring in VSO I.
Het hof stelde verder vast dat de betonschade onder de gevolgen van de vochtproblematiek viel waarvoor [geïntimeerde] [appellant] had gevrijwaard. Dit betekende dat [geïntimeerde] de kosten van het herstel niet op [appellant] kon verhalen. De verzoeken van [geïntimeerde] werden afgewezen, en zij werd veroordeeld tot terugbetaling van de door [appellant] reeds betaalde kosten en de proceskosten in zowel de eerste aanleg als het hoger beroep.
Daarnaast wees het hof erop dat controle van de betonconstructie noodzakelijk was geweest, ondanks het ongemak voor huurders. Het hof concludeerde dat [geïntimeerde] had moeten zorgen voor grondige controle gezien de aard van het gebouw en de geschiedenis van lekkageproblemen.
De uitspraak benadrukte het belang van duidelijke afspraken in vaststellingsovereenkomsten en de noodzaak van adequaat onderhoud en monitoring van bouwkundige constructies om schade en geschillen te voorkomen.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.


