De zaak in het kort
De rechtbank Amsterdam heeft een uitspraak gedaan in een geschil over de kosten van funderingsherstel van een gemeenschappelijke muur tussen twee panden. De zaak draaide om de vraag of de Vereniging van Eigenaars (VvE) en de eigenaren van het naastgelegen pand moesten bijdragen aan de kosten van het funderingsherstel, dat door de eiser was uitgevoerd. Op basis van een deskundigenrapport oordeelde de rechtbank dat de fundering zodanig gebrekkig was, dat herstel noodzakelijk was volgens artikel 5:65 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De rechtbank besloot dat de VvE inderdaad moest bijdragen aan de kosten van het herstel.
Het verloop van het proces en de feiten
De procedure begon met een dagvaarding door de eiser, die verlangde dat de VvE en de eigenaren van het buurpand zouden meebetalen aan de kosten van het funderingsherstel. De zaak werd behandeld door de rechtbank Amsterdam, en doorliep enkele fasen met tussenvonnissen en een deskundigenonderzoek om de staat van de fundering vast te stellen.
In het eerste tussenvonnis werd vastgesteld dat er onduidelijkheid bestond over de noodzaak van het herstel. De rechtbank besloot een deskundige in te schakelen om de kwaliteit van de fundering te beoordelen. De deskundige werd gevraagd om de classificatie volgens de F3O-richtlijn toe te kennen aan de fundering, en te bepalen op welke termijn herstel noodzakelijk zou zijn.
Het deskundigenrapport, uitgebracht op 21 mei 2025, concludeerde dat de fundering de classificatie “onvoldoende” kreeg en dat herstel binnen een termijn van één tot vijf jaar noodzakelijk was. De deskundige wees op ernstige gebreken, waaronder doorgebogen en gebroken kespen en een slechte staat van het metselwerk. Deze bevindingen ondersteunden de stelling van de eiser dat funderingsherstel nodig was.
Na het deskundigenrapport hield de eiser zijn vorderingen staande, terwijl de VvE betoogde dat er geen sprake was van een noodzaak tot herstel. De VvE suggereerde zelfs een aanvullende opdracht voor de deskundige om de oorzaak van de overbelasting te onderzoeken, wat mogelijk het gevolg was van bouwkundige veranderingen door de eiser zelf.
De beslissing van de rechtbank
De rechtbank oordeelde dat de gebreken aan de fundering dusdanig ernstig waren dat herstel binnen één tot vijf jaar noodzakelijk was, conform artikel 5:65 BW. De rechtbank vond de argumenten van de VvE onvoldoende onderbouwd en wees hun verzoek voor aanvullend onderzoek af.
De uitspraak verplichtte de VvE om bij te dragen aan de kosten van het funderingsherstel. De rechtbank veroordeelde de VvE tot betaling van €34.516,13 aan de eiser, vermeerderd met de wettelijke rente. Daarnaast werden ze veroordeeld tot betaling van €895,70 aan vaststellingskosten en de volledige proceskosten van de eiser, begroot op €5.501,81.
De rechtbank verklaarde de uitspraak uitvoerbaar bij voorraad, wat betekent dat de VvE onmiddellijk aan de betalingsverplichting moet voldoen. De beslissing onderstreept het belang van het delen van kosten voor onderhoud en herstel van gemeenschappelijk eigendom, zoals vastgelegd in artikel 5:65 BW.
Deze uitspraak kan als referentie dienen voor toekomstige gevallen waarin de noodzaak en verdeling van kosten voor funderingsherstel van gemeenschappelijke muren ter discussie staan. Het benadrukt het belang van grondig deskundigenonderzoek en de rol van de rechtbank in het waarborgen van eerlijke kostenverdeling tussen eigenaren van aangrenzende panden.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.


