De zaak in het kort
In deze zaak stond een geschil centraal tussen eigenaren van appartementsrechten, aangeduid als [appellant] en [geïntimeerde], over de vraag wie verantwoordelijk is voor de herstelkosten van betonschade aan een constructie. Het probleem was ontstaan door vochtschade, welke volgens een deskundigenrapport het gevolg was van jarenlange gebrekkige waterdichtheid van de constructie. De discussie draaide om de interpretatie van twee vaststellingsovereenkomsten (VSO I en VSO II), waarbij [geïntimeerde] stelde dat [appellant] moest bijdragen aan de kosten, terwijl [appellant] vond dat [geïntimeerde] volledig verantwoordelijk was vanwege de afspraken in de overeenkomsten.
Het verloop van het proces en de feiten
De procedure begon met een geschil in hoger beroep bij het Gerechtshof Amsterdam, waarbij [appellant] en [geïntimeerde] tegenover elkaar stonden. Het conflict was al eerder behandeld in een tussenbeschikking van 2022, waarin het hof had bepaald dat de kosten van het betonherstel niet meteen konden worden afgerekend zonder een duidelijk verdeelsleutel vast te stellen. Deze verdeelsleutel zou afhangen van een deskundigenonderzoek en de uitleg van de vaststellingsovereenkomsten.
Het deskundigenonderzoek, afgerond in september 2023, wees uit dat de vochtproblemen voornamelijk veroorzaakt werden door onvoldoende onderhoud aan de tribunes, de goot en de gevels, wat leidde tot de betonschade. Het onderzoek bracht ook aan het licht dat monitoring van de betonconstructie niet of nauwelijks had plaatsgevonden, wat de schade verder had verergerd.
[appellant] stelde op basis van het deskundigenrapport dat de verantwoordelijkheid voor de schade en de kosten bij [geïntimeerde] lag. Dit omdat [geïntimeerde] volgens de eerste vaststellingsovereenkomst (VSO I) verantwoordelijk was voor het onderhoud en het wegnemen van schade door vochtproblemen. [geïntimeerde] daarentegen betoogde dat de betonschade deels te wijten was aan gebrekkig onderhoud door [appellant] in de periode voor de overname van het onderhoud en dat VSO II de afspraken uit VSO I had vervangen.
De beslissing van de rechtbank
Het hof heeft de zaak beoordeeld door de inhoud en strekking van de vaststellingsovereenkomsten te interpreteren. Het kwam tot de conclusie dat [geïntimeerde] de verantwoordelijkheden voor vochtproblemen en daaruit voortvloeiende schade had overgenomen. Het hof oordeelde dat de uitleg van VSO I duidelijk maakte dat [geïntimeerde] [appellant] had gevrijwaard van de kosten voor schade die voortkwam uit reeds bestaande vochtproblemen. Met betrekking tot VSO II stelde het hof dat deze niet betekende dat de vrijwaring werd opgeheven, maar dat deze slechts een nieuwe onderhoudsperiode regelde.
De rechtbank vond ook dat het argument van [geïntimeerde] over het causale verband tussen de huidige schade en onderhoudsgebreken uit het verleden geen stand hield. Het hof benadrukte dat de verantwoordelijkheid voor het wegnemen en beheersen van vochtproblemen bij [geïntimeerde] lag, ongeacht de periode waarin de schade was ontstaan.
Tenslotte besliste het hof dat [geïntimeerde] geen deel van de kosten op [appellant] kon verhalen en dat de eerdere beslissing van de rechtbank daarom vernietigd werd. [geïntimeerde] moest de door [appellant] betaalde kosten terugbetalen, inclusief de kosten voor het deskundigenonderzoek en de proceskosten. De rechtbank gaf hiermee aan dat de vaststellingsovereenkomst duidelijk was in haar toewijzing van verantwoordelijkheden en dat [geïntimeerde] haar verplichtingen niet kon ontwijken door te verwijzen naar de periode voor de overname van het onderhoud.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




