De zaak in het kort
De zaak betreft een geschil tussen een appartementseigenaar, aangeduid als [verzoeker], en de vereniging van eigenaren (VvE) van het appartementencomplex Schellingshof in Beek-Ubbergen. [Verzoeker] heeft een verzoek ingediend bij de rechtbank om een aantal besluiten van de VvE nietig te verklaren of te vernietigen. Het gaat om besluiten met betrekking tot de verdeling van onderhoudskosten, de vaststelling van de jaarrekening en de wijziging van het huishoudelijk reglement. [Verzoeker] stelt dat de VvE verantwoordelijk is voor kosten die eigenlijk door de hoofd-VvE gedragen zouden moeten worden, hetgeen leidt tot een onevenredig hoge bijdrage van de leden, waaronder [verzoeker] zelf. De VvE verzoekt de rechtbank het verzoek van [verzoeker] af te wijzen en hem te veroordelen in de proceskosten.
Het verloop van het proces en de feiten
Het appartementencomplex Schellingshof is gesplitst in drie appartementsrechten: winkelruimten, woningen en een hotel. Er is een hoofd-VvE opgericht waarin de eigenaars van deze appartementsrechten lid zijn. Het appartementsrecht dat betrekking heeft op de woningen is verder ondergesplitst, waarbij eigenaren lid zijn van een aparte VvE. [Verzoeker] is eigenaar van een van deze appartementsrechten en dus lid van deze VvE.
Er is onenigheid ontstaan binnen de VvE over de verdeling van onderhoudskosten. [Verzoeker] heeft een voorstel gedaan tijdens de algemene ledenvergadering (ALV) van de VvE om de VvE niet langer verantwoordelijk te laten zijn voor het onderhoud van gemeenschappelijke delen die onder de hoofd-VvE vallen. Hij stelde voor dat de VvE een vergoeding zou vragen voor kosten die in 2024 en 2025 zijn gemaakt voor gemeenschappelijke delen die onder de hoofd-VvE vallen. Dit voorstel werd echter verworpen tijdens de ALV van 10 april 2025, en er werd een gewijzigd huishoudelijk reglement aangenomen.
[Verzoeker] bracht de zaak voor de kantonrechter en vroeg om nietigverklaring of vernietiging van de besluiten van de VvE, met name het besluit van 10 april 2025 om zijn voorstellen af te wijzen, de vaststelling van de jaarrekening en de wijziging van het huishoudelijk reglement. Hij betoogde dat de besluiten in strijd zijn met de redelijkheid en billijkheid omdat ze leiden tot een oneerlijke verdeling van de onderhoudskosten.
De VvE betwist de claims van [verzoeker] en stelt dat de huidige praktijk in overeenstemming is met de splitsingsakte en het reglement. De VvE wijst erop dat de bijdrageverdeling is goedgekeurd door de ALV en dat er geen sprake is van een onrechtmatige of oneerlijke verdeling van kosten.
De beslissing van de rechtbank
De kantonrechter beoordeelde het verzoek van [verzoeker] en concludeerde dat er geen sprake is van nietige besluiten van de VvE. De rechter vond dat [verzoeker] zijn stellingen niet voldoende had onderbouwd met bewijs dat de VvE verantwoordelijk is voor meer kosten dan gerechtvaardigd is volgens de splitsingsakte. De rechtbank merkte op dat, voor zover er al afwijkingen zijn van de kostenverdeling, deze binnen de hoofd-VvE unaniem kunnen worden besloten, wat in deze situatie ook het geval bleek te zijn.
De rechtbank wees erop dat [verzoeker] geen concrete bewijzen had geleverd voor zijn beweringen dat de VvE kosten draagt die eigenlijk door de hoofd-VvE zouden moeten worden gedragen. Bovendien waren er geen cijfers gepresenteerd waaruit zou blijken dat de VvE meer kosten draagt dan haar aandeel volgens de breukdelen rechtvaardigt.
Met betrekking tot de vraag of er sprake was van een onredelijke of onbillijke kostenverdeling, oordeelde de rechtbank dat de huidige verdeling redelijk en praktisch is. De rechter merkte op dat de huidige systematiek, waarbij de kosten zoveel mogelijk worden gedragen door de VvE’s die direct voordeel hebben van het onderhoud, eerlijk is en in lijn met de reglementen.
De rechtbank wees de verzoeken van [verzoeker] af en veroordeelde hem in de proceskosten van de VvE, tot een bedrag van € 1.086 aan salaris voor de gemachtigde. De kantonrechter verklaarde de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Tot slot oordeelde de rechtbank dat er geen sprake was van willekeur door het bestuur van de VvE ten laste van de individuele eigenaars van de woningen. De besluiten van de ALV, de controle door de kascommissie en de noodzaak voor bestuursleden om decharge te verkrijgen van de ALV, vormden een voldoende waarborg tegen willekeur.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




