De zaak in het kort
In deze zaak ging het om een geschil tussen [eiser 1] en [eiser 2], wonend in Den Haag, en de Vereniging Kopers Hellasduin (VKH), eveneens gevestigd in Den Haag. [eiser 1] en [eiser 2] hadden een appartement gekocht in het gebouw Hellasduin en claimden recht te hebben op een tweede parkeerplaats op basis van de erfpachtakte. Zij vorderden primair de toewijzing van die tweede parkeerplaats en subsidiair een schadevergoeding. VKH betwistte deze vorderingen en stelde dat er geen tweede parkeerplaats was toegezegd. De rechtbank wees zowel de vorderingen van [eiser 1] en [eiser 2] als de tegenvordering van VKH af.
Het verloop van het proces en de feiten
Het geschil ontstond na de realisatie van het appartementengebouw Hellasduin in 2020, waarbij VKH optrad als ontwikkelaar. In de parkeergarage van het gebouw waren 45 parkeerplaatsen aangelegd voor de bewoners, terwijl er in de erfpachtakte stond dat grotere appartementen recht hadden op twee parkeerplaatsen. [eiser 1] en [eiser 2] kochten een appartement met een oppervlakte groter dan 160 vierkante meter en meenden daardoor recht te hebben op een tweede parkeerplaats. Echter, de extra parkeerplaatsen waren al toegewezen aan andere appartementseigenaren.
Tijdens de algemene ledenvergadering in november 2019, werd de laatste extra parkeerplaats verloot onder de eigenaren van de grootste appartementen, maar [eiser 1] en [eiser 2] verloren deze loting. Zij maakten hiertegen geen bezwaar en de bouw ging verder. Pas in 2022, toen een wijziging van de erfpachtakte werd voorgesteld, maakten [eiser 1] en [eiser 2] bezwaar en eisten zij alsnog een tweede parkeerplaats.
VKH stelde dat de erfpachtakte niet letterlijk kon worden genomen vanwege een fout en dat de omgevingsvergunning slechts ruimte bood voor 45 parkeerplaatsen. Bovendien hadden [eiser 1] en [eiser 2] slechts één parkeerplaats gekocht en geleverd gekregen, zoals in de koopovereenkomst vermeld stond.
De beslissing van de rechtbank
De rechtbank oordeelde dat [eiser 1] en [eiser 2] geen recht hadden op een tweede parkeerplaats omdat zij geen partij waren bij de erfpachtakte tussen de gemeente en VKH. Hoewel de erfpachtakte vermeldde dat grotere appartementen recht hadden op twee parkeerplaatsen, was er geen overeenkomst tussen VKH en [eiser 1] en [eiser 2] die dit recht bevestigde. De koopovereenkomst en de leveringsakte gaven recht op slechts één parkeerplaats, en de afspraken over extra parkeerplaatsen waren duidelijk gecommuniceerd tijdens de verkoop.
Zelfs indien de rechtbank had geoordeeld dat [eiser 1] en [eiser 2] recht hadden op een tweede parkeerplaats, zou hun beroep daarop naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn. Het was duidelijk gecommuniceerd dat elk appartement slechts één parkeerplaats kreeg en [eiser 1] en [eiser 2] hadden ingestemd met de loting voor de extra parkeerplaats. Pas na de koop en levering maakten zij bezwaar.
Daarnaast wees de rechtbank de tegenvordering van VKH af om [eiser 1] en [eiser 2] te dwingen mee te werken aan de wijziging van de erfpachtakte. De rechtbank vond dat [eiser 1] en [eiser 2] gerechtigd waren om tegen deze wijziging te stemmen en dat het gebruik van hun stemrecht niet onredelijk of onrechtmatig was.
De rechtbank veroordeelde [eiser 1] en [eiser 2] in de proceskosten van VKH, terwijl VKH werd veroordeeld in de proceskosten voor de reconventie.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




