De zaak in het kort
De rechtbank Amsterdam heeft op 27 november 2025 uitspraak gedaan in een civiele kwestie tussen een Vereniging van Eigenaren (VvE) en een lid van de vereniging, aangeduid als [gedaagde]. De zaak betrof een vordering van de VvE voor betaling van achterstallige en toekomstige voorschotbijdragen. De kantonrechter beoordeelde dat de VvE niet-ontvankelijk was in haar vorderingen, aangezien zij niet beschikte over een vereiste procesmachtiging van de algemene ledenvergadering (ALV).
Het verloop van het proces en de feiten
De procedure begon met een dagvaarding op 7 mei 2025, waarin de VvE [gedaagde] sommeerde om een betalingsachterstand van € 256,80 te voldoen. De VvE voerde aan dat [gedaagde] zijn verplichtingen ten aanzien van voorschotbijdragen niet nakwam en vorderde de betaling van een totaalbedrag van € 642,00 voor de maanden januari tot en met mei 2025, met bijkomende wettelijke rente en toekomstige bijdragen tot een maximumbedrag van € 25.000,00. De VvE wenste ook een verhoogde proceskostenveroordeling, omdat zij meende dat [gedaagde] misbruik maakte van procesrecht.
De feiten toonden dat het bedrijfsverzamelgebouw in 2004 was gesplitst in 22 appartementsrechten en dat het Modelreglement 1992 van toepassing verklaard was, met specifieke aanpassingen in de splitsingsakte. [gedaagde] was gerechtigd tot een van de appartementsrechten en daardoor lid van de VvE.
Tijdens de procedure voerde [gedaagde] verweer en stelde dat de kantonrechter niet bevoegd was, de vorderingen niet opeisbaar waren en dat de VvE geen incassobesluit had. Hij betoogde dat de voorschotbijdragen niet correct waren vastgesteld en dat andere leden met achterstanden niet waren gedagvaard, wat hij onrechtvaardig vond.
De beslissing van de rechtbank
De kantonrechter oordeelde dat hij bevoegd was om de zaak te behandelen, omdat de vorderingen, zoals uitdrukkelijk beperkt door de VvE in haar repliek, binnen de competentiegrens van € 25.000,00 vielen. Het meest cruciale punt in de zaak was echter het ontbreken van een procesmachtiging. Volgens artikel 41 lid 4 van het splitsingsreglement had de VvE een machtiging van de ALV nodig om rechtsvorderingen in te stellen. Aangezien de VvE deze machtiging niet kon overleggen, verklaarde de kantonrechter de VvE niet-ontvankelijk.
De kantonrechter zag geen reden om de VvE alsnog in de gelegenheid te stellen om de machtiging te verkrijgen of te overleggen. Hierdoor kwam de rechter niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de vorderingen van de VvE. De proceskosten werden ten laste van de VvE gebracht, maar vastgesteld op nihil omdat [gedaagde] in persoon had geprocedeerd en niet op de zitting was verschenen.
De uitspraak benadrukt het belang voor verenigingen om over de juiste machtigingen te beschikken voordat zij juridische stappen ondernemen. Het ontbreken hiervan kan ertoe leiden dat een vordering niet ontvankelijk wordt verklaard, zoals in deze zaak is gebleken.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




