**
De zaak in het kort
In deze civiele zaak, behandeld door de rechtbank Amsterdam, is een Vereniging van Eigenaars (VvE) als eiser opgetreden tegen een lid van de vereniging, de gedaagde. De VvE vorderde betaling van achterstallige en toekomstige voorschotbijdragen voor een appartementsrecht. De kantonrechter heeft de VvE niet-ontvankelijk verklaard omdat er geen procesmachtiging was van de algemene ledenvergadering (ALV) voor het starten van de rechtsvordering. Hierdoor werd de inhoudelijke beoordeling van de vordering niet behandeld en de VvE werd veroordeeld in de proceskosten, die op nihil werden gesteld, aangezien de gedaagde in persoon procedeerde.
Het verloop van het proces en de feiten
Het proces begon met een dagvaarding op 7 mei 2025, waarin de VvE de gedaagde opriep om de voorschotbijdragen over de maanden januari tot en met mei 2025 te betalen, evenals toekomstige bijdragen. De VvE baseerde haar vordering op het niet voldoen aan betalingsverplichtingen door de gedaagde, die lid is van de VvE en eigenaar van een appartementsrecht binnen een bedrijfsverzamelgebouw. Het gebouw was in 2004 gesplitst in 22 appartementsrechten. Het Modelreglement 1992 was van toepassing, behalve waar de splitsingsakte wijzigingen kent.
Een belangrijk punt in het splitsingsreglement is artikel 41 lid 4, dat bepaalt dat het bestuur voor het instellen van rechtsvorderingen een machtiging van de ALV nodig heeft. De VvE had de gedaagde gesommeerd een betalingsachterstand van € 256,80 te voldoen. De gedaagde had op 23 juli 2025 een bedrag van € 1.540,80 betaald, maar de VvE vorderde alsnog een bedrag van € 642,00 voor de voorschotbijdragen tot en met mei 2025 en toekomstige bijdragen, tot een maximum van € 25.000,00.
De gedaagde voerde aan dat de VvE niet-ontvankelijk was vanwege het ontbreken van een incassobesluit van de ALV en betwistte de bevoegdheid van de kantonrechter. Daarnaast stelde de gedaagde dat de voorschotbijdragen niet correct waren vastgesteld en dat meerdere bestuursleden zelf een betalingsachterstand hadden, maar niet waren gedagvaard.
De beslissing van de rechtbank
De kantonrechter moest eerst beslissen over de bevoegdheid. Volgens de wet worden zaken met een vordering van maximaal € 25.000,00 door de kantonrechter behandeld. Hoewel de gedaagde de bevoegdheid betwistte, beperkte de VvE haar vorderingen tot € 25.000,00, waardoor de kantonrechter bevoegd was.
Het belangrijkste verweer van de gedaagde was echter dat de VvE niet-ontvankelijk moest worden verklaard, omdat er geen machtiging was van de ALV om de procedure te voeren. De kantonrechter volgde dit verweer, omdat de VvE niet kon aantonen dat zij over een dergelijke machtiging beschikte. Ondanks dat de gedaagde dit punt aanvoerde, heeft de VvE geen bewijs geleverd van een machtiging, ook niet tijdens de procedure. Daarom werd de VvE niet-ontvankelijk verklaard.
De kantonrechter kwam hierdoor niet toe aan de inhoudelijke beoordeling van de vorderingen. In de uitspraak werd de VvE veroordeeld in de proceskosten, die op nihil werden begroot, omdat de gedaagde in persoon procedeerde en er geen zitting plaatsvond.
Deze uitspraak benadrukt het belang van het hebben van een juiste en geldige machtiging van de ALV bij het instellen van een rechtsvordering door een VvE, zoals vereist door het splitsingsreglement. Het ontbreken hiervan kan leiden tot niet-ontvankelijkheid, waardoor de inhoudelijke behandeling van de zaak niet plaatsvindt en de VvE de proceskosten moet dragen.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




