De zaak in het kort
In deze zaak stond een Vereniging van Eigenaren (VvE) tegenover een individuele eigenaar van een appartementsrecht. De VvE had een vordering ingediend bij de rechtbank om achterstallige en toekomstige voorschotbetalingen van de eigenaar te eisen. De kantonrechter moest beslissen of de VvE ontvankelijk was in haar vordering, gezien de bewering van de eigenaar dat er geen procesmachtiging was verleend door de Algemene Ledenvergadering (ALV) van de VvE.
Het verloop van het proces en de feiten
Het geschil begon met een dagvaarding op 7 mei 2025, waarin de VvE de eigenaar opriep vanwege een betalingsachterstand van voorschotbijdragen over 2025. De eigenaar was gerechtigd tot een appartementsrecht in een bedrijfsverzamelgebouw dat bij akte van splitsing in 2004 was opgericht. In het splitsingsreglement was bepaald dat het VvE-bestuur toestemming van de ALV nodig heeft voor het instellen van rechtsvorderingen, tenzij het gaat om verweer of conservatoire maatregelen.
De VvE eiste betaling van € 642,00 voor de maanden januari tot en met mei 2025 en toekomstige voorschotbijdragen, met een maximum van € 25.000,00. Ze stelde dat de eigenaar zijn verplichting tot tijdige betaling had geschonden en dat er vermoedens waren dat hij dit in de toekomst zou blijven doen. Het verzoek omvatte ook een verhoogde proceskostenveroordeling, aangezien de VvE vond dat de eigenaar misbruik maakte van het procesrecht.
De eigenaar voerde verweer door te stellen dat de kantonrechter niet bevoegd was en dat de vorderingen niet opeisbaar waren, aangezien de voorschotbijdragen niet op basis van een vastgestelde begroting waren vastgesteld. Hij betoogde ook dat er sprake was van ongelijke behandeling, omdat andere leden van de VvE met betalingsachterstanden niet waren gedagvaard.
De beslissing van de rechtbank.
De kantonrechter verklaarde zich bevoegd om de zaak te behandelen, omdat de vordering binnen de competentiegrens van € 25.000,00 bleef. De VvE had tijdens de zitting aangegeven dat het totaal van de vorderingen beperkt bleef tot dit bedrag, waardoor de kantonrechter bevoegd was.
Het meest cruciale verweer van de eigenaar was het ontbreken van een procesmachtiging van de ALV. De kantonrechter oordeelde dat de VvE niet-ontvankelijk was in haar vorderingen, omdat zij geen machtiging van de ALV had overgelegd om de rechtsvordering in te stellen. Dit was in strijd met artikel 41 lid 4 van het splitsingsreglement, dat stelt dat een machtiging noodzakelijk is voor het instellen van rechtsvorderingen. De VvE had deze machtiging ook tijdens de procedure kunnen overleggen, maar dit niet gedaan. Hierdoor kwam de kantonrechter niet toe aan de inhoudelijke beoordeling van de vorderingen van de VvE.
De proceskosten werden voor rekening van de VvE verklaard, omdat zij ongelijk kreeg. Echter, de kosten werden op nihil gesteld, omdat de eigenaar in persoon had geprocedeerd en schriftelijk zijn verweer had gevoerd.
De uitspraak benadrukt het belang voor VvE’s om de juiste procedurele stappen te volgen, vooral wanneer het gaat om het verkrijgen van de noodzakelijke machtigingen van de ALV voor het instellen van rechtsvorderingen. Het niet naleven van deze regels kan leiden tot niet-ontvankelijkheid en onnodige proceskosten.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




