De zaak in het kort
De uitspraak van de rechtbank Amsterdam betreft een geschil tussen Rumah B.V., Luux Vastgoed B.V., en een derde verzoeker tegen de Vereniging van Eigenaren (VvE) Woningen en Garages in een bepaald gebouw. Het centrale punt van de zaak is de vraag of het besluit van de VvE, dat ondersplitsing van appartementsrechten in het gebouw juridisch probeert tegen te houden, rechtsgeldig is. Het geschil draait om de interpretatie van artikel 5:106 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW), dat stelt dat een appartementsrecht vatbaar is voor ondersplitsing, tenzij de akte van splitsing anders bepaalt. Rumah c.s. stelt dat een besluit van de VvE dat ondersplitsing verbiedt, nietig is als zo’n verbod niet in de akte van splitsing is opgenomen.
Het verloop van het proces en de feiten
De zaak werd mondeling behandeld op 2 december 2025 voor de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam. Aanwezig waren vertegenwoordigers van Rumah B.V., hun gemachtigde mr. W.M. van Agt, en vertegenwoordigers van de VvE, inclusief belanghebbenden. Tijdens de zitting werd door de partijen hun standpunten toegelicht en op elkaars argumenten gereageerd. Een van de belanghebbenden legde een brief voor van de gemeente Amsterdam, geschreven door mr. R.P.M. de Laat, die mogelijk relevant was voor het geschil.
Het geschil vond zijn oorsprong in een algemene ledenvergadering van de VvE op 18 juni 2025. Tijdens deze vergadering werd gesproken over de (on)wenselijkheid van het ondersplitsen van appartementsrechten, wat leidde tot een stemming. De meerderheid van de aanwezige leden steunde de acties van het bestuur om ondersplitsing juridisch tegen te houden. De vraag die vervolgens opkwam was of deze stemming juridisch gezien een geldig besluit van de VvE vertegenwoordigde.
De beslissing van de rechtbank
De kantonrechter oordeelde dat het besluit van de VvE, indien het moet worden uitgelegd als een besluit om ondersplitsing tegen te houden, in strijd is met de wet. De rechtbank stelde vast dat volgens artikel 5:106 lid 3 BW een appartementsrecht voor ondersplitsing vatbaar is, tenzij de splitsingsakte anders bepaalt. In dit geval bevatte de splitsingsakte geen bepalingen die ondersplitsing verboden. Daarom is er geen toestemming van de VvE nodig voor ondersplitsing, tenzij zo’n verbod specifiek in de splitsingsakte staat vermeld. Een dergelijk verbod kan niet worden ingesteld door een besluit van de VvE.
Bijgevolg verklaarde de kantonrechter het besluit van de algemene ledenvergadering nietig, zoals vastgelegd in artikel 2:14, eerste lid BW. Daarnaast werd de VvE veroordeeld tot betaling van de proceskosten aan Rumah c.s., vastgesteld op ⬠744,50, inclusief griffierecht, salaris voor de gemachtigde en nakosten. De uitspraak werd voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat de VvE de proceskosten moet betalen binnen veertien dagen na aanschrijving.
De beslissing van de rechtbank onderstreept het belang van het nauwkeurig opstellen van de splitsingsakte en benadrukt dat besluiten van een VvE die tegen wettelijke bepalingen ingaan, nietig kunnen worden verklaard door de rechter. Deze uitspraak heeft implicaties voor de manier waarop VvE’s omgaan met de ondersplitsing van appartementsrechten en bevestigt de rechten van appartementseigenaren om hun rechten uit te oefenen binnen de wettelijke kaders.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




