De zaak in het kort
In deze zaak stond de vraag centraal of bepaalde bepalingen in het franchisehandboek van de franchisegever Simon Lévelt in strijd waren met de bepalingen in de franchiseovereenkomst die zij met hun franchisenemer, aangeduid als [eisers], heeft afgesloten. De rechtbank Noord-Holland oordeelde dat artikel 7.1 van het franchisehandboek inderdaad in strijd was met artikel 19 van de franchiseovereenkomst, waardoor de franchisenemer niet verplicht kon worden om voor de verkoop van haar franchisevestiging overeenstemming te bereiken met de franchisegever over een maximale verkoopprijs.
Het verloop van het proces en de feiten
De procedure begon met een tussenvonnis op 16 juli 2025. De zaak werd voortgezet met verschillende akten waarin partijen hun stellingen en bewijsmateriaal presenteerden, en uiteindelijk vond op 6 oktober 2025 een mondelinge behandeling plaats. Tijdens deze zitting werden de feiten en de standpunten van partijen verder verduidelijkt.
De franchisenemer, aangeduid als [eisers], had sinds 2007 een franchisevestiging van Simon Lévelt, een franchiseformule gericht op de exploitatie van winkels in koffie en thee. De samenwerking werd meerdere malen verlengd, met de huidige overeenkomst die liep van 1 mei 2022 tot 30 april 2027. In 2022 gaf [eisers] aan haar franchisevestiging te willen verkopen. Daarbij ontstond een geschil over de waardering van de goodwill en de vraagprijs voor de verkoop.
Volgens de franchiseovereenkomst moest de franchisenemer zich aan de richtlijnen en instructies in het formulehandboek houden, maar bij strijdigheid tussen het handboek en de overeenkomst zou de overeenkomst voorrang hebben. Artikel 19 van de overeenkomst bepaalde dat de franchisenemer zijn rechten niet kon overdragen zonder schriftelijke toestemming van Simon Lévelt, die deze toestemming alleen kon onthouden op basis van kredietwaardigheid, vakbekwaamheid en geschiktheid van de koper.
Het handboek voegde echter een vereiste toe dat de franchisenemer en Simon Lévelt eerst overeenstemming moesten bereiken over een maximale vraagprijs, wat volgens [eisers] een ongeoorloofde beperking was.
De beslissing van de rechtbank
De rechtbank oordeelde dat artikel 7.1 van het franchisehandboek in strijd was met artikel 19 van de franchiseovereenkomst. Hierdoor kon Simon Lévelt [eisers] niet verplichten om voorafgaand aan de verkoop van de franchiseovereenkomst overeenstemming te bereiken over een maximale vraagprijs. Het handboekartikel beperkte de overdrachtsvrijheid van de franchisenemer op een manier die verder ging dan de overeenkomst toeliet.
De rechtbank verklaarde voor recht dat de franchisenemer vrij was om met potentiële kopers te onderhandelen en dat Simon Lévelt tekort was geschoten in de nakoming van haar verplichtingen. De rechtbank veroordeelde Simon Lévelt tot vergoeding van de schade die [eisers] had geleden als gevolg van het handelen van Simon Lévelt, met een verklaring dat de schadevergoeding nader zou worden vastgesteld.
Daarnaast werden andere vorderingen van [eisers] toegewezen, waaronder de terugbetaling van door Simon Lévelt geïncasseerde boetes voor het niet bijwonen van bijeenkomsten en de vergoeding van loodgieterskosten die [eisers] had gemaakt voor het herstellen van een rioleringsprobleem. De rechtbank oordeelde dat Simon Lévelt onterecht boetes had opgelegd en dat zij niet kon terugkomen op een eerder gedane toezegging om de loodgieterskosten te compenseren.
Tot slot werd Simon Lévelt veroordeeld in de proceskosten, waarbij de rechtbank het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaarde. De uitspraak benadrukte het belang van duidelijke afspraken in franchiseovereenkomsten en de noodzaak om de rechten van franchisenemers te respecteren binnen de kaders van de overeengekomen contractuele bepalingen.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




