De zaak in het kort
In deze zaak staan Allianz Benelux N.V. en Nationale-Nederlanden Schadeverzekeringmaatschappij N.V. tegenover IM Group B.V. en IMG II B.V. De kern van het geschil betreft de vraag of de verzekeraars regres kunnen nemen op IM c.s. voor de brandschade veroorzaakt door een accupakket van een elektrische scooter. De rechtbank moet beoordelen of de aansprakelijkheidsstelling van de verzekeraars gebaseerd kan worden op artikel 2 van de Bedrijfsregeling Brandregres (BBr) 2014, dat bepaalt dat brandverzekeraars hun recht van verhaal jegens niet-particulieren alleen kunnen uitoefenen als er sprake is van onzorgvuldig handelen of nalaten.
Het verloop van het proces en de feiten
De procedure begon met een dagvaarding op 28 februari 2025 waarin Allianz en Nationale-Nederlanden de IM Group en IMG II aansprakelijk stelden voor de brandschade. De schade ontstond op 8 augustus 2020, toen een accupakket van een elektrische Ecooter-scooter in brand vloog bij een vestiging van Domino’s Pizza. Uit onderzoek bleek dat de brand waarschijnlijk was veroorzaakt door een onveilige combinatie van de stekker van de lader en de contrastekker van de accu. Om de schade te verhalen, stelden de verzekeraars IM c.s. aansprakelijk, omdat zij de scooters hadden geïmporteerd en op de markt hadden gebracht.
Tijdens de mondelinge behandeling op 28 oktober 2025, werden de argumenten van beide partijen nader toegelicht. Verzekeraars baseerden hun vordering op de stelling dat IM c.s. onrechtmatig handelden door een product op de markt te brengen dat bij normaal gebruik brand veroorzaakt. IM c.s. verweerden zich door te stellen dat de Bedrijfsregeling Brandregres 2014 regresvorderingen beperkt tot gevallen van onzorgvuldig handelen.
De beslissing van de rechtbank
De rechtbank Den Haag wees de vordering van de verzekeraars af. Het oordeel was dat artikel 2 van de BBr 2014 duidelijk aangeeft dat regres alleen mogelijk is als er sprake is van een verwijtbare fout, oftewel onzorgvuldig handelen of nalaten. De rechtbank vond dat de verzekeraars onvoldoende hadden aangetoond dat IM c.s. een verwijt kon worden gemaakt, omdat zij geen specifiek onzorgvuldig handelen hadden aangetoond.
De rechtbank benadrukte dat alleen het in het verkeer brengen van een product dat schade veroorzaakt niet voldoende is voor regres, tenzij er sprake is van concrete onzorgvuldigheid. Verzekeraars hadden niet duidelijk kunnen maken welke maatregelen IM c.s. hadden moeten nemen om de brand te voorkomen. Daarmee faalde hun vordering onder de restricties van de BBr 2014.
Als gevolg van deze uitspraak moeten de verzekeraars de proceskosten van IM c.s. betalen, die werden begroot op een totaalbedrag van € 12.467,00. De rechtbank verklaarde dit vonnis voor wat betreft de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad.
De uitspraak benadrukt het belang van het kunnen aantonen van onzorgvuldig handelen of nalaten bij het inroepen van regres onder de Bedrijfsregeling Brandregres, en bevestigt dat aansprakelijkheid op basis van verkeersopvattingen zonder concreet verwijtbaar handelen niet voldoende is voor regres.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




