De zaak in het kort
In deze zaak gaat het om een juridische strijd tussen twee grote verzekeraars, Allianz Benelux N.V. en Nationale-Nederlanden Schadeverzekeringmaatschappij N.V., en de bedrijven IM Group B.V. en IMG II B.V., die betrokken zijn bij de import en verkoop van elektrische scooters. De kern van het geschil is of de bedrijven aansprakelijk zijn voor brandschade veroorzaakt door een van hun geïmporteerde scooteraccu’s. De rechtbank Den Haag heeft uiteindelijk de vorderingen van de verzekeraars afgewezen, met als centrale punt van overweging de uitleg van artikel 2 van de Bedrijfsregeling Brandregres (BBr) 2014. Volgens de rechtbank is voor regres vereist dat er sprake is van onzorgvuldig handelen of nalaten door de bedrijven, wat niet voldoende is aangetoond door de verzekeraars.
Het verloop van het proces en de feiten
De verzekeraars Allianz en Nationale-Nederlanden hadden de Vereniging van Eigenaars (VvE) van een pand in [plaats] verzekerd. Brandschade ontstond toen een accupakket van een elektrische scooter, gebruikt door een Domino’s-vestiging, in brand vloog. Deze scooters waren door IM Group en IMG II vanuit China geïmporteerd en op de Nederlandse markt gebracht. Na de brand, waarbij aanzienlijke schade werd veroorzaakt aan zowel de eigendommen van Domino’s als de appartementen boven de zaak, lieten de verzekeraars een onderzoek uitvoeren door [onderzoekbureau] en later door DEKRA Certification B.V. Daaruit bleek dat de brand waarschijnlijk was ontstaan door een structureel probleem met de combinatie van de stekker en de contrastekker van de accu’s, die niet goed aansloten, wat leidde tot oververhitting.
De verzekeraars verzochten de bedrijven om de schade te vergoeden, maar IM Group en IMG II, die de aansprakelijkheid hadden afgewezen via hun eigen verzekeraar Interpolis, weigerden. De zaak belandde vervolgens bij de rechtbank Den Haag, waar verzekeraars een geldbedrag eisten ter compensatie van de uitgekeerde schadevergoeding aan de VvE.
De beslissing van de rechtbank
De rechtbank moest beslissen of de bedrijven IM Group en IMG II aansprakelijk konden worden gesteld voor de brandschade op basis van de BBr 2014. De rechtbank oordeelde dat volgens artikel 2 van deze regeling regres alleen mogelijk is als er sprake is van onzorgvuldig handelen of nalaten. Dit betekent dat er een verwijtbaar element moet zijn, dat verder gaat dan alleen aansprakelijkheid op grond van verkeersopvattingen of de wet.
De verzekeraars hadden betoogd dat de bedrijven aansprakelijk waren omdat zij een product in het verkeer hadden gebracht dat bij normaal gebruik schade veroorzaakte. De rechtbank was het daar niet mee eens en vond dat de verzekeraars niet hadden aangetoond dat IM Group en IMG II onzorgvuldig hadden gehandeld of nagelaten. De rechtbank vond dat de uitleg van de verzekeraars over artikel 2 van de BBr 2014, die erop neerkwam dat aansprakelijkheid volgens verkeersopvattingen voldoende zou zijn voor regres, niet houdbaar was. Het was de mening van de rechtbank dat voor regres onder de BBr 2014 daadwerkelijk onzorgvuldig handelen of nalaten vereist is.
Omdat de verzekeraars niet konden bewijzen dat er sprake was van verwijtbaar handelen door de bedrijven, werden hun vorderingen afgewezen. Verder moesten de verzekeraars ook de proceskosten van de tegenpartij, IM Group en IMG II, vergoeden, wat neerkwam op een totaalbedrag van € 12.467,00.
Deze uitspraak onderstreept het belang van een gedetailleerde beoordeling van de omstandigheden en de juiste uitleg van relevante contractuele en wettelijke bepalingen bij het vaststellen van aansprakelijkheid in het verzekeringsrecht. De rechtbank benadrukte dat de Bedrijfsregeling Brandregres 2014 expliciet vereist dat er sprake is van een verwijtbaar element, en dat zonder concreet bewijs van onzorgvuldig handelen of nalaten, een regresvordering niet toewijsbaar is.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




