De zaak in het kort
In de onderhavige zaak gaat het om een geschil over de toepassing van een verhoogde kindvrijstelling in de erfbelasting. De belanghebbende, een zoon van de overleden erflaatster, heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag. Hij betwist de beslissing van de Belastingdienst om geen verhoogde kindvrijstelling toe te passen op zijn erfdeel, omdat hij meent dat hij grotendeels door zijn moeder werd onderhouden vanwege zijn ziekte van Lyme. De inspecteur heeft echter geconcludeerd dat de belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de erflaatster ten minste 50% aan zijn levensonderhoud heeft bijgedragen, waardoor de vrijstelling niet van toepassing is.
Het verloop van het proces en de feiten
De zaak begon toen de Inspecteur van de Belastingdienst de erfbelasting van de belanghebbende vaststelde zonder de verhoogde kindvrijstelling toe te passen. De belanghebbende, die de ziekte van Lyme heeft en niet in staat is te werken, woonde bij zijn moeder en heeft bij de aangifte erfbelasting een beroep gedaan op de verhoogde kindvrijstelling van artikel 32, lid 1, onder 4, sub b, van de Successiewet. Volgens deze regeling kunnen kinderen die grotendeels op kosten van de overleden ouder worden onderhouden en niet in staat zijn om te werken, in aanmerking komen voor een grotere belastingvrijstelling.
De Inspecteur vroeg de belanghebbende om bewijsstukken waaruit bleek dat hij aan de voorwaarden voor de verhoogde vrijstelling voldeed. De belanghebbende reageerde met een opsomming van zijn jaarlijkse kosten en de bijdrage die hij van zijn moeder ontving. Echter, de Inspecteur vond deze informatie onvoldoende om aan te tonen dat de erflaatster voor ten minste 50% aan het levensonderhoud van de belanghebbende had bijgedragen.
Na de afwijzing door de Inspecteur volgde een bezwaarprocedure, waarbij de belanghebbende opnieuw niet kon aantonen dat hij grotendeels door zijn moeder werd onderhouden. De Rechtbank Den Haag verklaarde het beroep ongegrond, waarna de belanghebbende hoger beroep instelde bij het Gerechtshof Den Haag.
De beslissing van de rechtbank.
Het Gerechtshof Den Haag moest beoordelen of de Inspecteur terecht de verhoogde kindvrijstelling had geweigerd. Het Hof stelde vast dat de belanghebbende niet had aangetoond dat zijn moeder voor ten minste 50% bijdroeg aan zijn levensonderhoud. De wet vereist voor de verhoogde vrijstelling dat het kind grotendeels op kosten van de ouder wordt onderhouden, wat betekent dat de ouder meer dan de helft van de kosten moet dragen.
De stukken die de belanghebbende had overgelegd, zoals bankafschriften, waren volgens het Hof niet voldoende om aan te tonen dat de moeder deze bijdrage had geleverd. Bovendien was er geen aanvullende verklaring of bewijs dat de financiële steun van de erflaatster meer dan 50% van de totale kosten van levensonderhoud van de belanghebbende bedroeg. Hierdoor kon niet worden geconcludeerd dat de belanghebbende grotendeels op kosten van zijn moeder werd onderhouden.
Het Hof bevestigde de uitspraak van de Rechtbank Den Haag en oordeelde dat de standaard kindvrijstelling van toepassing was, en niet de verhoogde vrijstelling. Het hoger beroep van de belanghebbende werd ongegrond verklaard. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, aangezien het Hof de standpunten van de Inspecteur juist achtte.
Tot slot werd de belanghebbende geïnformeerd over de mogelijkheid om binnen zes weken na de uitspraak in beroep te gaan bij de Hoge Raad. Dit proces zou echter weer griffierechten met zich meebrengen en de belanghebbende zou moeten aantonen dat er juridische gronden zijn voor het cassatieberoep.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




