De zaak in het kort
In deze zaak gaat het om een hoger beroep bij het Gerechtshof Den Haag betreffende een geschil over de toepassing van de verhoogde kindvrijstelling in de erfbelasting. De belanghebbende, een zoon van de overleden erflaatster, claimde deze vrijstelling omdat hij door ziekte niet kon werken en grotendeels door zijn moeder werd onderhouden. De inspecteur van de Belastingdienst had de verhoogde vrijstelling afgewezen, en deze beslissing werd in eerste aanleg door de rechtbank bevestigd. De belanghebbende ging hiertegen in hoger beroep.
Het verloop van het proces en de feiten
De belanghebbende ontving een aanslag erfbelasting nadat zijn moeder in 2021 overleed. Zijn moeder had hem en zijn broers als erfgenamen benoemd, elk voor een derde deel van de nalatenschap. De belanghebbende, die de ziekte van Lyme heeft en daardoor niet kan werken, woonde bij zijn moeder. Na haar overlijden werd aangifte erfbelasting gedaan en werd de verhoogde kindvrijstelling geclaimd op grond van artikel 32, lid 1, onderdeel 4, sub b van de Successiewet (SW).
De inspecteur vroeg om bewijs dat de belanghebbende ten minste 50% van zijn levensonderhoud van de erflaatster ontving. De door de belanghebbende verstrekte informatie, waaronder kosten voor levensonderhoud en ontvangen uitkeringen, overtuigde de inspecteur niet dat aan de 50%-eis was voldaan. De aanslag werd daarom vastgesteld zonder de verhoogde vrijstelling, en een standaard kindvrijstelling van € 21.282 werd toegepast. De belanghebbende ging in beroep tegen deze beslissing bij de rechtbank, die het beroep ongegrond verklaarde. Hierna volgde het hoger beroep bij het Gerechtshof Den Haag.
De beslissing van de rechtbank
Het Gerechtshof Den Haag moest beoordelen of de inspecteur terecht de verhoogde kindvrijstelling had geweigerd. Het hof stelde vast dat de belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat hij voor meer dan 50% door de erflaatster werd onderhouden. De rechtbank had eerder geoordeeld dat de belanghebbende in 2021 een inkomen had van € 10.158, terwijl zijn jaarlijkse kosten voor levensonderhoud € 6.472,20 bedroegen. Gezien deze cijfers kon niet worden gesteld dat hij grotendeels op kosten van zijn moeder werd onderhouden.
Het hof bevestigde dat de interpretatie van “grotendeels” als 50% of meer correct was en dat de belanghebbende niet had voldaan aan de bewijslast om aan te tonen dat zijn moeder daadwerkelijk meer dan de helft van zijn levensonderhoud had bijgedragen. Ook het argument dat de belanghebbende zijn bijstandsuitkering deels moest gebruiken voor aflossing van schulden deed hier niets aan af. De belastingrente was volgens de wettelijke bepalingen in rekening gebracht, en tegen deze rente waren geen afzonderlijke gronden aangevoerd.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, en de rechtbankuitspraak werd bevestigd. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Beide partijen kunnen binnen zes weken na de uitspraak in cassatie gaan bij de Hoge Raad der Nederlanden.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.



