De zaak in het kort
De rechtbank Den Haag moest oordelen over de verdeling van een woning en de financiële afwikkeling tussen twee ex-partners die informeel hadden samengewoond. De vrouw wilde dat de woning aan een derde werd verkocht, terwijl de man de woning wilde overnemen. Daarnaast waren er geschillen over wederzijdse betalingen en kosten die tijdens hun relatie waren gemaakt. De rechtbank besloot dat de man de kans krijgt om de woning over te nemen, mits hij de vrouw kan ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheek. Lukt dit niet, dan moet de woning aan een derde worden verkocht.
Het verloop van het proces en de feiten
De procedure begon met een dagvaarding op 28 april 2025, gevolgd door diverse conclusies van antwoord en producties van beide partijen. Op 5 november 2025 vond een mondelinge behandeling plaats, waarbij de partijen overeenstemming bereikten over de taxatie van hun gemeenschappelijke woning.
De partijen hadden tot medio 2024 een affectieve relatie en een gezamenlijke woning zonder samenlevingscontract. Ze waren elk voor de helft eigenaar van een appartement dat ze in 2021 hadden gekocht. Voor de aankoop sloten zij een hypothecaire lening af van €250.000 bij ING Bank, terwijl ze de resterende aankoopkosten uit eigen middelen betaalden.
Sinds februari 2025 betaalde de man de hypotheekaflossingen, en de vrouw had de woning verlaten. De vrouw had een andere woning waarvan de man uit eigen middelen de hypothecaire lening had afgelost.
De beslissing van de rechtbank
De rechtbank behandelde zowel de conventionele als de reconventionele vorderingen van de partijen gezamenlijk, aangezien deze betrekking hadden op de vermogensrechtelijke afwikkeling van hun relatie.
De rechtbank oordeelde dat de man de woning mocht overnemen als hij kon aantonen dat hij de benodigde financiering kon regelen en de vrouw kon ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheek. De woning moest worden getaxeerd om de waarde vast te stellen. Als de man er niet in slaagde de woning over te nemen, moest de woning aan een derde worden verkocht.
Voor de verdeling van de overwaarde van de woning en de verrekening van kosten, werd rekening gehouden met de door de man en de vrouw gedane betalingen en investeringen. De man had een hogere investering gedaan bij de aankoop van de woning en had de hypothecaire lening van de vrouw voor haar andere woning afgelost. De vrouw vorderde compensatie voor door haar betaalde kosten van de gemeenschappelijke huishouding en persoonlijke betalingen voor de man.
Verder oordeelde de rechtbank dat beide partijen gelijkelijk verantwoordelijk waren voor de kosten van de huishouding en dat deze kosten verrekend moesten worden. De rechtbank nam hierbij de berekeningen van de vrouw als basis, omdat deze een vollediger beeld gaven van de kosten.
De rechtbank concludeerde dat de man, indien hij de woning overnam, de vrouw moest compenseren voor de helft van de overwaarde, verminderd met de bedragen die de vrouw aan de man was verschuldigd. Als de woning aan een derde werd verkocht, moesten de hypothecaire schulden worden afgelost en het resterende bedrag verdeeld worden, waarbij de vrouw nog een bedrag aan de man moest betalen.
Ten aanzien van de kinderalimentatie vorderde de vrouw nakoming van gemaakte afspraken. De rechtbank verwees deze kwestie naar de familierechter, aangezien dergelijke zaken via een verzoekschriftprocedure moeten worden behandeld.
Tot slot besloot de rechtbank dat beide partijen hun eigen proceskosten moesten dragen, aangezien zij ex-partners waren.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




