De zaak in het kort
In deze zaak speelt een geschil tussen de eisende partijen, vertegenwoordigd door ARAG SE Rechtsbijstand, en de gedaagde partijen, vertegenwoordigd door DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V., over de koop van een woning. De eisende partijen hebben een woning gekocht van de gedaagde partijen en claimen dat er sprake is van non-conformiteit vanwege een lekkage, waardoor de woning niet aan de verwachtingen voldeed. De eisende partijen vorderen een schadevergoeding van € 8.061,16. De rechtbank moest beoordelen of de woning inderdaad gebreken vertoonde die een normaal gebruik verhinderden en of de gedaagde partijen hun mededelingsplicht hadden geschonden. De rechtbank concludeert dat de vorderingen van de eisende partijen worden afgewezen omdat er geen sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de koopovereenkomst.
Het verloop van het proces en de feiten
De eisende partijen kochten op 5 september 2023 een woning van de gedaagde partijen voor een bedrag van € 650.000,00. Bij de koopovereenkomst was een vragenlijst gevoegd die door de gedaagde partijen was ingevuld. De woning werd op 1 november 2023 geleverd. Kort daarna, op 4 november 2023, meldden de onderburen dat er sprake was van een lekkage vanuit de woning van de gedaagde partijen. De eisende partijen namen contact op met de verkoopmakelaar, die aangaf dat de gedaagde partijen niet op de hoogte waren van de lekkage. Later voerde Riool Reiniging Service (RRS) in opdracht van de VVE een camera-inspectie uit en adviseerde een reparatie aan de leiding.
De eisende partijen stelden de gedaagde partijen aansprakelijk voor de schade die zij opliepen door de lekkage en eisten een schadevergoeding. Volgens de eisende partijen wisten de gedaagde partijen van de lekkage en hadden zij dit moeten melden. Er volgde correspondentie tussen de partijen, maar er werd geen overeenstemming bereikt. Uiteindelijk werd de zaak aan de rechtbank voorgelegd.
De beslissing van de rechtbank
De rechtbank beoordeelde de zaak op basis van de koopovereenkomst en de Nederlandse wetgeving. Volgens artikel 6.1 van de koopovereenkomst hebben de eisende partijen de woning aanvaard in de staat waarin deze zich bij het sluiten van de overeenkomst bevond, inclusief zichtbare en onzichtbare gebreken. Artikel 6.3 biedt een uitzondering, waarbij de gedaagde partijen instaan voor de afwezigheid van gebreken die normaal gebruik als woning verhinderen.
De rechtbank oordeelde dat zelfs als er sprake was van een lekkage, dit niet betekende dat de woning niet geschikt was voor normaal gebruik. De lekkage was minimaal en had geen wezenlijke invloed op het woongenot of de veiligheid. Daarom was er geen sprake van een gebrek dat het normale gebruik verhinderde.
Daarnaast overwoog de rechtbank dat de gedaagde partijen niet aansprakelijk waren voor de herstelkosten van de lekkage. De eisende partijen konden niet aantonen dat zij kosten hadden gemaakt voor herstel die voor rekening van de gedaagde partijen zouden komen. Ook bleek niet dat de gedaagde partijen hun mededelingsplicht hadden geschonden; er was onvoldoende bewijs dat zij op de hoogte waren van de lekkage.
Ten aanzien van de stelling van dwaling door de eisende partijen, oordeelde de rechtbank dat er geen sprake was van omstandigheden die de overeenkomst vernietigbaar maakten. De overeenkomst was niet tot stand gekomen onder invloed van dwaling en de wederzijdse dwaling kwam voor rekening van de eisende partijen, zoals vastgelegd in de koopovereenkomst.
De rechtbank wees de vorderingen van de eisende partijen af en veroordeelde hen in de proceskosten van de gedaagde partijen, begroot op € 678,00. De uitspraak werd openbaar gemaakt op 21 januari 2026.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




