De zaak in het kort
In een zaak bij de rechtbank Rotterdam, aangespannen door een verzoeker uit Almere, werd de vraag voorgelegd of de PowerNEST-installatie op het dak van zijn appartementencomplex in Rotterdam de geluidsnormen overschrijdt en of het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam daarom handhavend moet optreden. De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen, omdat niet aannemelijk is gemaakt dat de installatie de geluidsnormen overschrijdt.
Het verloop van het proces en de feiten
De zaak draait om een appartementencomplex in Rotterdam, waar op het dak een PowerNEST-installatie is geplaatst. Deze installatie bestaat uit een combinatie van windturbines, zonnepanelen en aerodynamische lamellen, en is bedoeld om duurzame energie op te wekken. De verzoeker, eigenaar van een appartement in dit complex, klaagt over geluidoverlast veroorzaakt door deze installatie. Hij heeft door deze geluidoverlast niet in zijn woning kunnen wonen en is noodgedwongen in Almere blijven wonen, wat leidt tot dubbele woonlasten.
De omgevingsvergunning voor de bouw van het complex, inclusief de installatie, werd door het college verleend op 30 september 2019. Na de oplevering van zijn appartement in mei 2022, heeft de verzoeker op 29 oktober 2025 het college verzocht om handhaving wegens geluidoverlast. Het college heeft dit verzoek op 5 december 2025 afgewezen, waarop de verzoeker bezwaar heeft aangetekend en een voorlopige voorziening heeft aangevraagd.
Tijdens de zitting op 15 januari 2026 zijn de verzoeker, het college en derde-partijen, waaronder het bouwbedrijf en de Vereniging van Eigenaars, gehoord. Het college en het bouwbedrijf betoogden dat er geen sprake was van een spoedeisend belang, omdat de verzoeker niet in zijn woning in Rotterdam woonde. De verzoeker stelde echter dat hij vanwege de geluidoverlast niet in zijn woning kon verblijven en daarom elders woonde.
De beslissing van de rechtbank.
De voorzieningenrechter diende te beoordelen of er sprake was van een overtreding van de geluidsnormen zoals opgenomen in artikel 4.108 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Volgens de verzoeker overschrijdt de PowerNEST-installatie de geluidsnorm van 30 dB, zoals bepaald in de wetgeving. Hij baseerde zijn betoog onder meer op een rapport van LBP Sight, waarin gesteld wordt dat de geluidsnorm bij bepaalde windsnelheden wordt overschreden.
De voorzieningenrechter stelde vast dat de Omgevingswet en het Bbl van toepassing zijn op deze zaak, aangezien het handhavingsverzoek na de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 werd ingediend. Hoewel de PowerNEST-installatie niet expliciet in de wetgeving wordt genoemd, oordeelde de rechter dat de installatie vergelijkbaar is met een mechanische voorziening voor warmteterugwinning en daarmee onder de geluidsnorm van 30 dB valt.
De vraag of de installatie daadwerkelijk de norm overschrijdt, werd beantwoord aan de hand van een geluidrapport van LBP Sight. Volgens dit rapport worden de 30 dB niet overschreden zolang de windsnelheid onder de 14 m/s blijft. De turbines worden bovendien uitgeschakeld bij windsnelheden boven die grens. De voorzieningenrechter vond geen aanleiding om te twijfelen aan de uitkomsten van dit rapport, mede omdat de verzoeker geen eigen metingen had overlegd die het tegendeel bewezen.
Op basis van deze bevindingen concludeerde de voorzieningenrechter dat de verzoeker onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er een overtreding van de geluidsnorm is. Derhalve was het college terecht van mening dat het niet bevoegd was om handhavend op te treden. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen en het eerdere besluit van het college bleef in stand. Er was geen reden voor vergoeding van het griffierecht of proceskosten. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




