De zaak in het kort
In deze zaak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam een verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. De verzoeker, eigenaar van een appartement in Rotterdam, ervaart geluidoverlast van een PowerNEST-installatie die op het dak van zijn appartementencomplex is geplaatst. Hij woont noodgedwongen elders en heeft daardoor dubbele woonlasten. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam heeft een verzoek om handhavend op te treden tegen de installatie afgewezen, omdat volgens hen geen sprake is van een overtreding van de geluidsnormen zoals vastgelegd in het Bouwbesluit 2012 en het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). De voorzieningenrechter bevestigde deze beslissing, omdat de verzoeker onvoldoende heeft aangetoond dat de installatie daadwerkelijk de geluidsnormen overschrijdt.
Het verloop van het proces en de feiten
Verzoeker heeft in mei 2022 een casco appartement gekocht in Rotterdam. Op het dak van het appartementencomplex is een PowerNEST-installatie geïnstalleerd, een systeem dat windturbines, zonnepanelen en aerodynamische lamellen integreert. Vanaf de oplevering ervaart verzoeker geluidoverlast van deze installatie, waardoor hij niet in zijn woning kan verblijven en elders woont. Op 29 oktober 2025 heeft hij het college verzocht om handhavend op te treden tegen deze overlast. Op 5 december 2025 wees het college dit verzoek af, met de motivatie dat er geen sprake is van een overtreding van de geluidsnormen.
Verzoeker maakte bezwaar tegen deze beslissing en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen. Tijdens de zitting op 15 januari 2026 lichtte verzoeker toe dat de geluidoverlast hem dwingt om in Almere te wonen, wat leidt tot dubbele woonlasten. Dit onderbouwde zijn spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening.
De beslissing van de rechtbank
De voorzieningenrechter beoordeelde of er een redelijke kans van slagen is voor het bezwaar van verzoeker tegen de afwijzing van het handhavingsverzoek. In zijn beoordeling overwoog de rechter of de PowerNEST-installatie in strijd is met de geluidsnormen zoals vastgelegd in artikel 4.108 van het Bbl, dat de norm van 30 dB hanteert voor nieuwbouwinstallaties. De voorzieningenrechter stelde vast dat de installatie niet expliciet wordt genoemd in de lijst van artikel 4.108 van het Bbl, maar dat het systeem als vergelijkbaar kan worden gezien met andere in de wet genoemde installaties, zoals mechanische voorzieningen voor warmteterugwinning.
De rechter wees op eerder uitgevoerd geluidsonderzoek door LBP Sight, dat stelde dat de geluidsnorm niet werd overschreden bij windsnelheden tot 14 m/s. Het rapport, dat als “worst-case scenario” gold, toonde aan dat de turbines automatisch worden uitgeschakeld bij hogere windsnelheden. De voorzieningenrechter vond geen aanleiding om te twijfelen aan de representativiteit van deze bevindingen, omdat verzoeker geen eigen metingen kon overleggen die het tegendeel bewezen.
Gezien het gebrek aan bewijs dat de PowerNEST-installatie de geluidsnorm overschrijdt, oordeelde de voorzieningenrechter dat er geen sprake was van een overtreding van artikel 4.108 van het Bbl. Bijgevolg was het college niet bevoegd om handhavend op te treden, en werd het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Het bestreden besluit blijft aldus in stand, en er is geen basis voor een vergoeding van proceskosten of griffierecht.
De uitspraak heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank niet in een eventueel vervolg van de procedure. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




