De zaak in het kort
De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft een uitspraak gedaan in een zaak die draait om de forensenbelasting. De belanghebbende, een eigenaar van een stacaravan op een vakantiepark in de gemeente Borsele, heeft beroep aangetekend tegen de beslissing van de heffingsambtenaar van SaBeWa. De heffingsambtenaar had een aanslag forensenbelasting opgelegd voor het belastingjaar 2023. De belanghebbende betwistte deze aanslag en stelde dat zij geen forensenbelasting hoefde te betalen omdat zij de caravan niet verhuurt en er een toeristenbijdrage-overeenkomst bestaat tussen het vakantiepark en de gemeente. De rechtbank oordeelde echter dat forensenbelasting verschilt van toeristenbelasting en bevestigde de aanslag, omdat aan de voorwaarden voor de forensenbelasting was voldaan.
Het verloop van het proces en de feiten
Op 30 november 2023 ontving de belanghebbende een aanslag forensenbelasting over het belastingjaar 2023. De heffingsambtenaar baseerde deze aanslag op de wet- en regelgeving die gemeenten het recht geeft om forensenbelasting te heffen van personen die zonder hoofdverblijf in de gemeente, daar meer dan negentig dagen per jaar een gemeubileerde woning beschikbaar houden. De stacaravan van de belanghebbende werd als zodanig beschouwd. De WOZ-waarde van de stacaravan was vastgesteld op € 59.000, wat leidde tot een aanslag van € 170.
De belanghebbende tekende bezwaar aan tegen deze aanslag, maar de heffingsambtenaar verklaarde het bezwaar ongegrond. Vervolgens ging de belanghebbende in beroep bij de rechtbank. Tijdens de zitting op 16 januari 2026, waar zowel de belanghebbende als een vertegenwoordiger van de heffingsambtenaar aanwezig waren, voerde de belanghebbende aan dat de caravan niet werd verhuurd en dat er een toeristenbijdrage-overeenkomst was gesloten. Deze punten zouden volgens haar de aanslag moeten tenietdoen.
De heffingsambtenaar stelde echter dat forensenbelasting een andere grondslag heeft dan toeristenbelasting. De toeristenbijdrage was een vrijwillige overeenkomst tussen het vakantiepark en de gemeente en had geen invloed op de heffing van forensenbelasting. Bovendien kon de belanghebbende de betaalde toeristenbijdrage terugvorderen van het vakantiepark omdat forensenbelasting voorgaat.
De beslissing van de rechtbank
De rechtbank oordeelde dat de forensenbelasting inderdaad een andere grondslag heeft dan toeristenbelasting en dat de bestaande toeristenbijdrage-overeenkomst geen invloed heeft op de bevoegdheid van de gemeente om forensenbelasting te heffen. Omdat vaststond dat aan alle voorwaarden voor het heffen van forensenbelasting was voldaan, vond de rechtbank dat er sprake was van een belastbaar feit volgens de gemeentelijke verordening. De rechtbank kon geen reden vinden om de aanslag onterecht te verklaren.
De rechtbank verklaarde het beroep van de belanghebbende ongegrond. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Beide partijen werden gewezen op de mogelijkheid om in hoger beroep te gaan tegen de uitspraak. Hiervoor hebben zij zes weken de tijd vanaf de dag van bekendmaking van het proces-verbaal.
De uitspraak bevestigt de heffingsbevoegdheid van gemeenten onder de Gemeentewet en de specifieke gemeentelijke verordeningen en benadrukt het verschil tussen forensen- en toeristenbelasting. Het geeft ook duidelijkheid over de relatie tussen vrijwillige overeenkomsten voor toeristenbijdragen en de verplichte forensenbelasting.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




