De zaak in het kort
De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde een civiele rechtszaak tussen een appartementseigenaar, aangeduid als [verzoeker], en de Vereniging van Eigenaren (VvE) van zijn appartementencomplex. [Verzoeker] diende meerdere verzoeken in, waaronder de vernietiging van besluiten genomen door de VvE op verschillende datums en aanvullende verzoeken met betrekking tot het beheer en onderhoud van het gebouw. De VvE voerde verweer tegen deze verzoeken. De rechter oordeelde dat [verzoeker] niet de juiste juridische procedures had gevolgd en wees al zijn verzoeken af. Bovendien werd [verzoeker] veroordeeld tot het betalen van de proceskosten van de VvE.
Het verloop van het proces en de feiten
[Verzoeker] is eigenaar van een appartement in een complex dat wordt beheerd door een VvE. De procedure begon met een verzoekschrift dat op 24 december 2024 werd ingediend, waarin [verzoeker] de vernietiging van besluiten van de VvE van 19 oktober 2024 verzocht. Later volgden aanvullende verzoeken op 21 januari 2025 en 15 juli 2025, waarin hij onder andere een nieuwe administrateur voorstelde en vroeg om toestemming voor onderhoudswerkzaamheden op kosten van de VvE.
[Verzoeker] maakte bezwaar tegen besluiten van de VvE, waaronder het niet tijdig indienen van verzoeken tot vernietiging van besluiten en het niet voldoen aan bepaalde vormvereisten bij de oproeping van vergaderingen. Hij verzocht om verschillende maatregelen, zoals het vervangen van de VvE-administrateur, het instellen van een reservefonds en het uitvoeren van noodzakelijke onderhoudswerkzaamheden. De VvE voerde aan dat [verzoeker] niet-ontvankelijk was in zijn verzoeken en eiste dat hij in de proceskosten zou worden veroordeeld.
Tijdens de mondelinge behandeling op 19 augustus 2025 werden de zaken gezamenlijk behandeld vanwege de samenhang met een andere zaak. [Verzoeker] diende ook een vordering in reconventie in, die door de rechter werd omgezet in een verzoekschriftprocedure.
De beslissing van de rechtbank
De rechter beoordeelde de verzoeken van [verzoeker] en constateerde verschillende procedurele tekortkomingen. De verzoeken tot vernietiging van de besluiten van de VvE werden afgewezen omdat deze niet binnen de wettelijke termijn van één maand waren ingediend, zoals bepaald in artikel 5:130 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek. Hierdoor werd [verzoeker] niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoeken tot vernietiging van de besluiten van 19 oktober 2024 en 16 mei 2025.
De overige verzoeken van [verzoeker] werden eveneens afgewezen vanwege het niet volgen van de juiste juridische weg en onvoldoende onderbouwing. De rechter benadrukte dat besluiten binnen een VvE volgens democratische principes worden genomen en dat [verzoeker] zijn bezwaren eerst aan de vergadering van eigenaren had moeten voorleggen. Indien hij het niet eens was met de besluiten, had hij binnen de daarvoor gestelde termijn bij de kantonrechter vernietiging kunnen verzoeken.
De rechter wees erop dat de VvE druk bezig was met het plannen van onderhoudswerkzaamheden, gebaseerd op adviezen van een bouwkundige. De procedure zelf veroorzaakte vertraging in de uitvoering van het onderhoud, hetgeen zorgwekkend was gezien de staat van het gebouw.
De kantonrechter adviseerde [verzoeker] en de VvE om onder begeleiding van een mediator tot een constructieve samenwerking te komen, gezien het gezamenlijke belang van het noodzakelijke onderhoud.
Ten slotte werd [verzoeker] veroordeeld in de proceskosten, die werden begroot op € 677,00, inclusief nakosten. De beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat de proceskosten direct opeisbaar zijn. De uitspraak benadrukte de noodzaak voor [verzoeker] om de juiste procedures te volgen bij het betwisten van VvE-besluiten en riep op tot betere samenwerking binnen de VvE om de onderhoudsproblemen aan te pakken.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.



